Gnantwerp Gazette 4

Najaar 1999
 

Activiteiten
 

De vorige zes maanden was het weer bijzonder druk in lokalen A1.12 en 13. Zoals aangekondigd in de vorige Gazette doctoreerde Inge Landuyt in juni, maar we konden toen nog niet weten dat ze daarvoor een vermelding van "grootste onderscheiding" ging krijgen. De verdediging was zo interessant dat er zelfs vragen vanuit de zaal werden gesteld.
 

In juli waren wij samen met Joyceanen van bijna alle werelddelen op de Trieste James Joyce Summerschool en verderop vind u een verslagje van dit gebeuren van onze reporter ter plaatse.
 

Dit academiejaar is er heel wat personeelsbeweging op het Joyce-centrum. Geert Lernout heeft een "wetenschappelijke opdracht" gekregen van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek om een studie te maken van de manieren waarop derden aan het genetisch proces van Finnegans Wake hebben deelgenomen. Het grootste deel van het onderzoek doet hij in de Verenigde Staten (Austin, Buffalo, New Haven, Princeton), stukjes ook in Londen en Dublin. Zijn colleges worden gegeven door een legertje medewerkers: het seminarie over Ulysses wordt gedoceerd door de speciaal uit de Verenigde Staten overgekomen Wim Van Mierlo; Inge Landuyt en Dirk Van Hulle springen in voor de andere colleges.
 

Op 17 december (13.00 u., promotiezaal) verdedigt Dirk Van Hulle zijn proef-schrift Textual Awareness: A Genetic Approach to the Late Works of James Joyce, Marcel Proust, and Thomas Mann, een vergelijkend tekstgenetisch onderzoek naar het schrijfproces van Finnegans Wake, Doktor Faustus en À la recherche du temps perdu. Doordat in deze drie werken het schrijfproces op verscheidene plaatsen gethematiseerd wordt, maakt de genese er integraal deel van uit en overstijgt de studie van de genese het traditionele domein van de teksteditie. Vandaar deze toenaderingspoging tussen tekst- en literaire kritiek.
 

Het grootste nieuwtje is waarschijnlijk de bevestiging van het exclusieve nieuws in ons vorige nummer: alle partijen: de drie editeurs, de uitgever (Brepols, Turnhout), de "holding library" in Buffalo, New York en de Estate of James Joyce hebben een contract ondertekend voor de volledige editie in boekvorm (in een eerste fase) van alle Finnegans Wake notitieboeken. Als alles naar wens verloopt, verschijnen de eerste volumes volgend jaar op de markt.
 

Geert Lernout
 
 

Colloquia
 

TRIESTE JOYCE SCHOOL
 

Wakker worden door het gekoer van duiven, en met de geur van verse broden die vanuit de straat het raam binnendrijft, dat kan alleen maar op vakantie in Italië. Op vakantie? Kleine vergissing. Dit is de James Joyce Summer School 1999, en programmadirecteurs John McCourt en Renzo Crivelli hebben geen medelijden met studenten die nog een beetje bleekjes zien van de nuits blanches voor hun thesis: 15 lezingen, 5 seminaries, 5 musea, 2 Joyceroutes en dat allemaal in een tijdsspanne van 6 dagen.
 

"Hold your breath three times before you speak," dat is de wijze raad die Ulysses in de onderwereld krijgt van de oude ziener Tiresias. Tenminste, in één van de vele Franse en Ierse Ulyssesbewerkingen en hervertellingen die Piero Boitani in zijn lezing bespreekt om duidelijk te maken dat Joyces adaptatie in een grote en lange traditie kadert. De sprekers op dit congres hebben de raad van Tiresias ook ter harte genomen, zo blijkt wanneer Renzo Crivelli ons een minutieus overzicht geeft van Joyces leven in Trieste: wat u altijd al over Joyce had willen weten, maar wat Ellman u nooit verteld heeft.
 

Ook Brandon Kershner doorprikt een Joycemythe, of beter, helpt alle aanwezige Joyceanen uit hun natte droom: Robert in Exiles was niet in alle aspecten een alter ego van Joyce, want die heeft nl. nooit enige belangstelling voor het academische bedrijf gekoesterd. En wij die dachten, dat als Joyce kon kiezen, hij nu bij ons in het James Joycecentrum zou willen werken. Enige zelfkritiek is Kershner blijkbaar niet vreemd, en zijn ware aard komt helemaal boven als hij in Roberts psychologisch profiel Sade en Sacher-Masoch herkent.
 

Rare jongens, die Amerikanen. Want ook Sebastian Knowles kan het niet laten om terwijl hij ons iets wijzer probeert te maken over DNA, celstructuur, matrixen en Ulysses, tussendoor foto's van zijn familie en andere intieme tafereeltjes te laten zien. Maar genoeg over onze vrienden uit de US, dit is La Bella Italia. Roberta Gefter Wondrich geeft op elegante wijze een overzicht van de verschillende schakeringen in invloed die Joyce op vele Ierse schrijvers gehad heeft, en heeft. En Monica Randaccio zet ook haar beste beentje voor om ons te overtuigen dat de legendarische vriendschap tussen Joyce en Svevo in de eerste plaats een intellectuele verwantschap was, en niet zozeer een kwestie van affectie.
 

Voor een echte lezing in de beste Italiaanse traditie moeten we wachten tot Francesca Romana Paci tot onze grote verbazing het podium opwandelt. Bij een lezing met als titel "Beat around Joyce" hadden we minstens een dansje of begeleidende technodreun verwacht. Haar lezing heeft de consistentie van een bord spaghetti: veel van hetzelfde, en een beetje door mekaar gedraaid. Haar stelling: Stephen is not Joyce. Onze vriend Raf suggereert dat de diepgang van Paci ergens anders gezocht moet worden, en merkt op dat beat off slang is voor wank. Amerikaans slang uiteraard.
 

Maar de twee beste lezingen vonden plaats op de tweede dag, al kan het ook liggen aan het steeds-meer-dan-avondvullende sociale programma. Eerst had John McCourt het over "The Importance of Being Giacomo", over Joyces prozagedicht Giacomo Joyce, een ode aan de Triestijnse schonen en een afscheid van zijn jeugd. En dan stal Geert Lernout naar goede gewoonte de show met Joyce & Co: "The Joys of Collaboration". Niet over de zwarten in de oorlog of werken op het Joycecentrum, maar over het creatieve proces van Finnegans Wake, en de niet onbelangrijke rol die Beckett, Jolas & Co daarin gespeeld hebben. Toeval of niet, beiden bereiden een boek over het onderwerp van hun lezing voor.
 

Terug uit Trieste heb ik niet alleen meer inzicht in Joyce en Italië gekregen, ook mijn kennis van het Japans, het Taiwanees, het Arabisch, het Soedanees, en het Kroatisch is exponentieel gestegen. Niets zo goed als een weekje Trieste om de wereld te verkennen. En als u mocht denken dat Trieste alleen een hot spot voor Joyceanen is: Elton John had een afspraak met u op de Triestijnse versie van Marktrock. En Ewan McGregor liepen we tegen het lijf op de pier van de haven: hij speelt namelijk James Joyce in Nora, een verfilming van het leven van Joyce naar de biografie van Brenda Maddox. Wij houden u op de hoogte.
 

Katrijn Serneels
 

P.S.Het was wel de grap van het congres, maar of Romana Paci de drukker zal halen?
 
 
 

Tips voor Joyce-trips
 

MIAMI J'YCE
 

Miami J'yce viert dit jaar z'n veertienjarig bestaan met het thema Joyce/Culture. En zelden was de naam van hun congres zo toepasselijk als dit jaar. Nee, Don Johnson komt niet langs, maar de sprekers zullen het wel over de populaire en minder populaire cultuur hebben waar Joyce een kind van is. U kan bijdragen verwachten over Ierse cultuur, religieuze elementen, sociale achtergronden en postmoderne theoretische subculturen. Afspraak van 3 tot 5 februari in de University of Miami, <jjls.english@ miami.edu>. Vergeet uw zonnebril niet.
 

Evenement
 

Needcompany kondigt aan:

DJamesDJoyceDead
 

Toen William Forsythe in 1998 Lauwers' voorstelling 'The Snakesong Trilogy' (volledige versie) zag, inspireerde hem dat tot de uitspraak: 'It's a masterpiece'. Sindsdien is er een vriendschap gegroeid tussen Forsythe en Lauwers en hieruit resulteerde een samenwerking tussen Needcompany en Ballett Frankfurt.

Uitgangspunt van deze productie is, zoals de titel al doet vermoeden, het leven van James Joyce. Twaalf dansers van Ballett Frankfurt en twee acteurs van Needcompany gaan een confrontatie aan met het flamboyante universum van één van de opmerkelijkste schrijvers van de twintigste eeuw.
 

Een belangrijk aandeel in de muziekscore is van de Gentse componist Dominique Pauwels, die voor deze voorstelling een compositie van 30 minuten schrijft gebaseerd op zijn vroegere werk 'It's all right'.
 

Concept, regie & choreografie: Jan Lauwers. Met acteurs van Needcompany (Viviane De Muynck en Carlotta Sagna) en de dansers van het Ballett Frankfurt (Alan Barnes, Allison Brown, Francesca Caroti, Dana Caspersen, Stephen Galloway, Agnes Noltenius, Crystal Pite, Tony Rizzi, Jone San Martin, Richard Siegal).
 

DJamesDJoyceDead is een productie van Jan Lauwers & Needcompany, Ballett Frankfurt & Das Tat. In co-produktie met Brussel 2000, Culturele Hoofdstad van Europa.
 

Needcompany is Cultureel ambassadeur van Vlaanderen en wordt gesubsidieerd door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de Nationale Loterij.
 
 
 

Definitieve speellijst en data :

Das Tat, Frankfurt : 11, 12, 13, 14, 17, 18, 19 en 20 mei 2000

South Bank Center, London : 9 en 10 juni 2000

Expo 2000, Hannover : 9 en 10 september 2000

Kaaitheater, Brussel: 22 en 23 september 2000

Vlaamse Opera, Gent: 27 en 28 september 2000
 
 

Eerste Edities
 
 

In de Times Literary Supplement van 8 oktober 1999 kwam in de rubriek NB van de mysterieuze J.C. niemand minder dan J.J. zaliger ter sprake in verband met de waarde van eerste edities, en dit naar aanleiding van de publikatie van de Guide to First Edition Prices 2000/1. De prijzen die gevraagd worden voor de Ulysses-editie van Shakespeare and Co. (1922) hollen voor de inflatie uit, aldus J.C. Twee jaar geleden werd voor deze eerste editie van 900 genummerde en gesigneerde exemplaren een luttele 2500 pond gevraagd; intussen is zo'n exemplaar van Ulysses het viervoudige waard.
 

Als bewonderaar en bewaker van het oeuvre van zijn grootvader mag S.J. dus vergenoegd achteruitzakken. Maar helaas, het kan nooit genoeg zijn. Het enige wat dit bericht op zijn gelaat kon toveren was een "zure glimlach". Dat meldde de zwarte piet van het Joyce-bedrijf zelf in de TLS-lezersbrievenrubriek, die hij in het verleden al meermaals als roe hanteerde.
 

Op 5 november wees hij erop dat J.C. in zijn artikeltje slechts één van de twee Ulysses-uitgaven vermeldde die Maurice Darantière in Dijon in het najaar van 1922 drukte en die John Rodker in Parijs voor de Egoist Press uitgaf (in een beperkte oplage van 2000 exemplaren) - volgens de Guide zo'n 1.170 pond waard. Hoewel de rechter in 1922 beslist had dat Ulysses niet in de Verenigde Staten ingevoerd mocht worden, werden heel wat van deze exemplaren stiekem toch naar Amerikaanse klanten gestuurd. Slechts enkele bereikten hun bestemming.
 

Maar de tweede van die twee Ulysses-uitgaven is nog veel waardevoller dan de eerste, aldus S.J., omdat er daarvan niet alleen slechts vijfhonderd exemplaren werden gedrukt, maar nog veel minder het "Folkestone literary massacre" overleefden.
 

Als de prijs van een eerste editie in twee jaar tijd verviervoudigd is, vraagt S.J. zich af wat de vier gesigneerde exemplaren die Glenn Horowitz Booksellers in 1996 te koop aanbood - in stijgende volgorde: $ 110.000, $ 115.000, $ 125.000 en $ 135.000 - intussen waard zijn.
 
 
 

Joyce lezen
 
 
 

Wat is Joyce lezen, hoe doe je dat, met wie doe je dat, doe je dat alleen, zijn er anderen die ook Joyce lezen? En als je dan al Joyce leest, lees je dan Finnegans Wake? Dat is toch niet te lezen, dat weet toch iedereen. Hoe lees je Finnegans Wake dan? Lees je DAT alleen, of met twee of met zo veel mogelijk. Wat heb je er aan? Waarom doe je dat eigenlijk, een boek lezen dat niet te begrijpen is, een boek lezen dat niemand leest? Een schrijver lezen waar velen nooit van gehoord hebben?
 

Iedere keer weer kom je deze vragen tegen, iedere keer weer moet je verantwoording afleggen waarom je Joyce leest, het lijkt soms wel of je een criminele activiteit uitoefent, of er iets mis is, of je iets mankeert? OK ik geef het toe, er zal wel iets mis zijn met mij, maar dan nog. Hebben jullie ooit een reden moeten geven waarom je een boek van Elsschot leest? Waarom je Rushdie hebt gelezen? Waarom je Dostojevski kent?
 

Wel, ik wil het nog wel eens uitleggen. Maar dat is dan de laatste keer geweest. Wie het nu nog niet snapt die zal het wel nooit begrijpen en die moet daar dan maar mee leren leven.
 

Eerst en vooral, ik lees Finnegans Wake niet, ik probeer Finnegans Wake te lezen. Jaren geleden, het moet al zo'n vijfentwintig jaar geleden zijn, kocht ik het boek en ik moet toegeven, ik heb er nooit in gelezen, zelfs niet in gekeken. Iedere keer als ik weer een boek 'uithad' en een nieuw mocht kiezen, stond het daar tussen het 'nog-niet-gelezen-boeken-rijtje' in mijn boekenkast, ik keek er wel naar en het keek ook wel naar mij, maar altijd weer koos ik een ander. Tot die ene dag dat ik er toch in begon. Wist ik toen veel waar ik aan begon.
 

De eerste bladzijde van Finnegans Wake, pagina drie moet je zeggen, is de meest gelezen pagina van het boek, zeggen de kenners, ook ik heb die wel twintig keer doorgenomen en hoewel er in mijn pocketuitgave wel vier of vijf bladzijden uitleg stonden over dat eerste blad, moet ik toegeven dat ik er niet heel veel van begreep. Woorden die niet in het woordenboek stonden, woorden die geen Engels waren, woorden die geen enkele taal waren, woorden die helemaal niet bestonden, woorden die helemaal niet te begrijpen waren, en toch wist ik wel wat die woorden mij probeerden duidelijk te maken maar ik wist niet wat er stond.
 

En dan begint het, als ik die tekst nu eens vertaal, als ik dat nu eens eerst in 'gewoon Engels' zet, als ik daar dan eens Nederlands van maak, zou ik dan weten wat er staat? Nee natuurlijk niet. En dan na een aantal weken, maanden, jaren (hangt van de lezer af) begint het te dagen, je moet niet alles weten, je moet leren tevreden te zijn met weten wat Joyce wil zeggen zonder te begrijpen wat er staat en dan kun je verder gaan, dan kun je zeggen: ik lees Finnegans Wake, ik lees vandaag dit in Finnegans Wake en morgen lees ik dat in Finnegans Wake en alle dagen lees ik iets anders in Finnegans Wake.
 

Maar van dat vertalen ben ik nooit helemaal af kunnen stappen, hoewel dat onmogelijk mogelijk moet zijn - dat snapt toch iedereen! Tijdens het eerste Joyce symposium van de UIA in Antwerpen, was er een gesprek met Claes en Nys over de vertaling van Ulysses, en die hebben mij overtuigd. Als Ulysses te vertalen is, dan moet Finnegans Wake ook doenbaar zijn.
 

Als er stukjes zijn die ik heel bijzonder en speciaal plezierig vind, ja dan kan ik niet anders of ik moet en zal proberen dat te vertalen, het lukt me nooit om een hele pagina te "doen", maar af en toe vind ik toch een woord, een zinnetje dat bijna helemaal precies als een Belgisch vlaggetje de polyglotte lading dekt en dat geeft me dan weer de moed om een aantal bladzijden verder te zwoegen en altijd maar opnieuw te proberen te lezen, te leren, te ondervinden, te weten wat er staat en waarom dat er staat.
 

Een grote troost heb ik als Wake-lezer natuurlijk wel, ik krijg dit boek nooit uit, nooit zal ik met een bang hart het einde naderen en denken: oei nog maar 50, 40, 30, 20 bladzijden en het is uit. Nee, Joyce heeft dat heel goed gedaan. Kom ik ooit in een ander, tweede, derde, vierde leven toch aan de laatste bladzijde, dan sla ik gewoon het boek dicht en begin weer met evenveel plezier of zo mogelijk nog meer plezier opnieuw.
 

Liesbeth van Gool
 
 
 

of door Joyce laten lezen
 
 
 

Een fan van John Zorn, Eric Ong, ontboezemde het volgende op de zorn-list:
 

"I have heard a tape of Joyce reading that and something else from the Wake ("The Mookse and the Gripes"?) that was just beautiful, extraordinary work. Ideally, everyone should hear bits of the book read aloud before diving into reading it in print. Less scary that way, and more joyous. One of the Joyce websites, "Work In Progress", has a real audio sample of Jimmy reading the ALP section from FW in its multimedia section. For those interested, just follow the yellow brick road: <http://www.2street.com/joyce/gallery/index.html>"
 

Met dank aan Geert Buelens, die ook in het vorige nummer een paar van de hoogste aller hoogtepunten der Joyce-kritiek bezorgde.
 
 

Hoogtepunten der Joyce-kritiek
 

"Oei oei, als dat zo doorgaat kun je volgende keer een hele gazette met dieptepunten in de Joyce-kritiek vullen, want wat las ik vandaag vrijdag 21 mei in het Amsterdamse Het Parool, ja, een interview van Maartje Somers met Geerten "De Beeldenstormer" Meijsing, ooit onder het mommo "Joyce & Co" publicerend notabene, maar die zich nu groot en oud genoeg waant om de oude Goden van hun voetstuk te kukelen, althans bij hem zelf thuis op de piano:

- Welke reputatie beschouwt u als zwaar overschat?

Noem maar op. Mulisch, Nooteboom, de hele handel. In het buitenland Joyce, Musil.

- Welk boek had u willen schrijven?

De Hypnerotomachia van Polyphilus, Droomliefdesstrijd, een fantastisch boek uit 1499 van Francesco Colonna. Een bouwwerk, deels geschreven in een geheimtaal tussen Italiaans en Latijn in, een initiatie in de liefde. Een soort Finnegans Wake, alleen dan goed.

Ooooooh!"

Robbert-Jan Henkes
 

En er is meer:

Vladimir Nabokov, in een interview in Wisconsin Studies uit 1967:

"Ulysses towers over the rest of Joyce's writings, and in comparison to its noble originality and unique lucidity of thought and style the unfortunate Finnegans Wake is nothing but a formless and dull mass of phony folklore, a cold pudding of a book, a persistent snore in the next room, most aggravating to the insomniac! I am. Moreover, I always detested regional literature full of quaint old-timers and imitated pronunciation. Finnegans Wake's facade disguises a very conventional and drab tenement house, and only the infrequent snatches of heavenly intonations redeem it from utter insipidity. I know I am going to be excommunicated for this pronouncement."

(<http://guernsey.et.tudelft.nl/cgi-bin/html-volapuk/NABOKOW/Inter06.txt>)

John Cowper Powys, geciteerd in MacDiarmids In Memoriam James Joyce:

"Yes, Joyce's work does, indeed, contain all the erudite sophistication natural to the end of a vast Aeon of spiritual evolution; but it can hardly be called degenerate, for it also reeks of the harshly-obscure, jarringly obscene, jeeringly-blasphemous filthily agglutinate birth pangs of life being born afresh." (verstuurd door Dominic Rivron naar FWAKE-List op 10 juli 1999)
 

D.H. Lawrence over Joyce: "My God, what a clumsy olla putrida James Joyce is! Nothing but old fags and cabbage-stumps of quotations from the Bible and the rest, stewed in the juice of deliberate journalistic dirty-mindedness--what old and hard-worked staleness, masquerading as the all-new!" (verstuurd door Paul Gleason naar FWAKE-List op 13 juli 1999)
 

Bio's
 
 

van het onbekende begin en het onvermijdelijke einde
 
 

No biographies! schreeuwt Albert Finney (1937) in de rol van Daniel Field op zijn sterfbed in Cold Lazarus, het televisietestament van de Engelse scenarioschrijver Dennis Potter (1935-1994). Ana matalabtish di!, voegt hij er doodsrochelend aan toe. Dit had ik niet besteld! Kontkruiperij of moord met voorbedachten rade, dat is een biografie volgens Potter.
 

De Ierse schrijver James Joyce (1882-1941) dacht daar heel anders over, maar in zekere zin net zo. Om zijn beeld dit keer, na A Portrait of the Artist as a Young Man en Ulysses, door een ander te laten 'weven en ontweven', stelde hij zijn eigen biograaf aan, de Amerikaanse journalist Herbert Gorman (1893-1954). Hij kreeg te verstaan dat het onderwerp een heilige was met een onverwoestbare persoonlijkheid, maar ook met een ongewoon lange lijdensweg en schreef vervolgens in negen afmattende jaren aan de teugels van Joyce de ideale biografie: een hagiografie!
 

Waarin wij lezen hoe Joyce wilde dat wij hem kenden door zijn eigen bril op de neus van Gorman. Een autobiografie door iemand anders. Een allobiografie! Tegen de regels. Bovendien leefde hij nog en de meeste biografieën gaan over dooien, pardon, doden. Rottende lijken in de prut van de toekomst. En dat is ook wat ze zo treurig maakt: je komt altijd uit bij dat onontkoombare eindpunt, de laatste woorden, het laatste uur, de laatste adem, de dood als sluitsteen van het leven.
 

In het geval van Joyce de onontkoombare gang, de onomkeerbare historische loop van het jongetje dat in zijn matrozenpakje de trap af rent en roept: I'm here! I'm here! tot de besneeuwde begraafplaats van Zürich, waar een vriendelijke maar dove voorbijganger vraagt wie daar wordt begraven: - Herr Joyce. - Wie? - Herr Joyce! - Wie? - HERR JOYCE!!!
 

Alsof een leven pas betekenis krijgt als de dood is ingetreden, als het leven is weggespoeld in het afvoerputje van de dood. Dat maakt van de meeste biografieën van die monumentale grafstenen en van biografen eerder doodgravers dan beschrijvers van levens. Na de plotselinge roep om biografieën hier te lande enige jaren her ('Waarom zijn er geen biografieën!' 'Ik wil biografieën!'), zijn ze als hyena's gaan schrijven en heeft de ene na de andere even dikke als domme en even liefdeloze als onleesbare biografie de doodsklok doen luiden zonder te weten waar de levensklepel hing, met als recent dieptepunt het leven van de marsmannetjes door hun goedige buren en nu kunnen we in spanning wachten hoe weer zo'n miserabele copywriter de hermans mag doorboren met zijn roestige ottersperen…
 

Joyce, rustend in vrede, heeft niet te klagen. Hij is gelukkig gezegend met een aantal uitstekende biografieën. Allereerst die van Gorman, wat je er verder ook van denken mag, toch een onmisbare voetnoot bij het werk van iemand die alle losse onderdelen van zijn leven, van schoenmaat tot de strijd achter het voorhoofd, als materiaal gebruikte. Het is zelfs ontstellend hoe weinig hij zelf bedacht, zowel in Ulysses als in Finnegans Wake. Dan de monumentale pil van Richard Ellmann, nog altijd het toonbeeld van een biografie, maar wel erg dik. Uit 1975 is de biografie van Stan Gébler Davies, vol scabreuze anecdotes en gezellige kroegpraat, ook niet kwaad op z'n tijd. In ons eigen immer uitdijende taalgebied hebben we James Joyce Schrijver van Geert Lernhout, de eerste en tot nu enige die met sympathie over Finnegans Wake spreekt.
 

En nu hebben we in de serie Lives van Weidenfeld en Nicolson, waarin ook Mao, Crazy Horse, Proust, Marlon Brando, George Best en Jeanne d'Arc aan bod zullen komen, een dunne (180 bladzijden ellende tellende) biografie door Edna O'Brien, de schrijfster van 18 boeken, afkomstig uit Ierland en net als Joyce in haar en zijn geboorteland, hun 'native dunghill', hun vaalt van herkomst, hun gebeerteput, verboden, bespuugd en geëxcommuniceerd.
 

En o wonder, het is er weer een die er zijn mag: een aanwinst in de Joyce-bibliotheek, aanstekelijk enthousiast, met veel woorden en wendingen van Joyce zelf en duidelijk de vrucht van veertig jaar bewondering. Bovendien, en dat is altijd interessant, staan er dingen in die je nooit ergens anders hebt gelezen.
 

En waarvan je je dus moet afvragen of ze wel waar zijn. Dat is het andere probleem met biografieën: hoe de praatjes in de wereld komen. Wat is waar en wat niet, wie moet je geloven? Bijvoorbeeld als je iets wilt weten over iets dat je interesseert. Bijvoorbeeld Finnegans Wake. Hoe is Joyce eigenlijk met het schrijven van dat nachtwerk begonnen, dat hem zeventien van de laatste negentien jaar van zijn leven kostte, en dat afgelopen 4 mei zestig jaar geleden is verschenen? Van Ulysses had hij nog twaalf kilo ongebruikte aantekeningen over, die hij verder ook ongebruikt liet. En toen?
 

Volgens Edna O'Brien ging het heel simpel: "Op een ochtend in Parijs pakte Joyce een notitieboekje formaat klein-folio en begon hij, ondanks huiselijke ellende, slechte ogen en beroerde gezondheid, aan zijn Work in Progress…" Nou, en 17 jaar later lag het boek er dus, O'Brien, even simpel als het was begonnen.
 

Andere biografen denken daar weer anders over. Ellmann, gedegen als altijd, citeert een brief van Joyce aan zijn maecenas en typiste Harriet Shaw Weaver van 11 maart 1923: "Gisteren heb ik twee bladzijden geschreven, de eerste sinds het laatste Ja van Ulysses."
 

Gorman, met de pen van Joyce, schrijft: "In de vroege zomer van 1922 [...] ging Joyce naar Engeland op vakantie. [...] Hij zwierf er door het lieflijke land, luisterde naar het Sussexer dialect en liet de golvingen en glooiingen van de grazige heuvels op zich inwerken, en daar ontkiemde het idee voor een nieuw werk, een werk dat zelfs Ulysses verre achter zich zou laten in de uniciteit van opvatting en materie." Maar hij begon pas aantekeningen en losse zinnen op te schrijven "in de herfst, genietend van het warme weer en mediterrane zonsondergangen in Nice.Toen begon hij weer te schrijven."
 

Volgens Gébler Davies begon Joyce pas echt aan Finnegans Wake te schrijven "in de zomer van 1923, op vakantie in Bognor Regis, die troosteloze badplaats in Sussex, thuishaven van gepensioneerde sigarenboeren en tirannieke pensionhoudsters".
 

En bij de Finnegans Wake-kenner Geert Lernout lezen we: "In oktober 1922 vertrok de familie Joyce naar Marseille en na een paar dagen naar Nice, waar Joyce in Hotel Suisse begon te werken aan wat zijn laatste boek zou worden."
 

Wat is het nou? a) op een ochtend in Parijs; b) op 10 maart 1923; c) in een troosteloze badplaats in Sussex; d) in Hotel Suisse in Nice.
 

Het hangt er natuurlijk van af wat je onder het begin verstaat, het idee, de eerste aantekening, de eerste zin, de eerste bladzijde, of het eerste begin van het kern waaruit Finnegans Wake verder zal groeien.
 

Dat is de crux, en daarvoor moeten we een excursie maken naar het verleden. We moeten als echte tekstgenetische onderzoekers terug naar de bron, de oorsprong, het ontstaan van Finnegans Wake, de oertekst zelve. Genitricksling Joyce.
 

Het eerste idee. 1922. In Parijs ligt Ulysses Grieksevlagblauw in de etalage van Shakespeare & Co. Na zeven magere jaren arbeid is het eindelijk verschenen, het mooiste boek van de eeuw (bron: Random House). De critici denken dat je na Ulysses niet meer verder kan, dat het woord niet nog meer vlees kan worden, dat het een eindpunt is waarna geen begin meer mogelijk is. Wat gaat Joyce verder doen? Houdt hij het voor gezien? Gaat hij een flutromannetje schrijven om de critici aan het schrikken te maken? In augustus is hij in Londen. Een uitstapje naar Bognor aan de kust gaat niet door omdat hij plotseling een aanval van hevige conjuctivitis krijgt (bindvliesonteking). Hij bezoekt drie oogartsen, van wie er één James heet, en een tandarts Henry (samen toevallig ook de naam, noteert hij, van een kledingzaak in Dublin). Hij ziet er zijn nichtje Kathleen en ook, voor het eerst, miss Weaver, zijn onzelfzuchtige maecenas die hem tot zijn dood min of meer zal onderhouden met omgerekend anderhalf miljoen euro's. ("In de annalen van de literatuur komt zij in aanmerking voor zaligverklaring," zegt O'Brien.) Zij vraagt hem wat zijn plannen zijn en hij antwoordt: "Ik denk dat ik een geschiedenis van de wereld ga schrijven."
 

De eerste aantekening. De wereldgeschiedenis, die eeuwigdurende nachtmerrie waaruit hij probeert wakker te worden, bezorgt Joyce slapeloze nachten. En ook Nora: hij ligt tot diep in de nacht te schrijven en moet dan zo lachen dat Nora aan de deur komt kloppen: "Jim, nu moet je stoppen met schrijven of stoppen met lachen." Hij leest alles wat los en vast zit, van Ierse dagbladen, obscure Zweedse werken over de kleding van engelen tot een roman van Sean O'Casey en schrijft intussen als een lexicomane kruimeldief in zijn aantekenboekje alle rare woorden en uitdrukkingen op die hij kan gebruiken uit (uit Sean O'Casey neemt hij "micky dazzlers" over, dat terecht zal komen op bladzijde 444, regel 27). In oktober 1922 stopt Joyce plotseling met de nacorrectie van Ulysses (op bladzijde 290) en maakt hij in Nice, Hotel Suisse, de eerste zongerijpte aantekeningen in zijn als VI.B.10 gecatalogiseerde schriftje. Gelukkig (voor ons) zijn de meeste aantekenboekjes bewaard gebleven. Het eerste woord dat hij opschrijft is "Buttle" en hij schrijft het over uit The Irish Times van 9 oktober 1922. Verder staat die krant vol opstanden en rampspoed, niet alleen in Europa maar ook in Ierland, waar op dat moment een bloederige vrijheidsoorlog aan de gang is, maar daarin is Joyce niet geïnteresseerd. Op de eerste kolom op de eerste bladzijde leest hij een in memoriam van een luitenant bij de Royal Irish Rifles, Albert Edward Buttle, die in Frankrijk aan zijn oorlogswonden is overleden. Met dit woord, dat op bladzijde 16, regel 20 terecht komt ("Aput the buttle, surd.") beginnen de aantekeningen voor het nieuwe boek.
 

De eerste zin. Maar aantekeningen heeft Joyce zijn leven lang gemaakt en het is logisch dat als het ene boek verschenen is de aantekeningen alleen maar voor een volgend boek kunnen zijn. Vlak voor zijn dood schreef Joyce nog steeds opmerkingen in zijn schriftje. Hij wilde iets heel eenvoudigs schrijven, iets over de zee, maar de dingen die hij opschreef houden daar niet direct verband mee. We weten over die eerste aantekening "Buttle" (als het tenminste de eerste is, en de bibliothecaris in Londen of Buffalo bij het herstellen van de schriftjes niet per ongeluk een bladzijde achtestevoren heeft teruggestoken, waar wel aanwijzingen voor zijn) alleen dat het de eerste post-Ulysses-aantekening is, niet wat Joyce ermee voor had, en ook niet of hij bij het schrijven van de Mutt en Jute-dialoog in 1926 werkelijk nog aan de Buttle uit de overlijdensannonce dacht. De eerste zin dan als begin? Maar Finnegans Wake heeft eigenlijk geen eerste zin en ook geen laatste, ze lopen in elkaar door: "A way a lone a last a loved a long the" (en we springen van bladzijde 628 terug naar bladzijde 3) "riverrun, past Eve and Adam's, from swerve of shore to bend of bay, brings us by a commodius vicus of recirculation back to Howth Castle and Environs." Bovendien schreef Joyce het eerste hoofdstuk pas in 1926, toen hij al een flink eind onderweg was met Work in Progress. De eerste versie was wat korter: "Howth Castle and Environs!" Als Ulysses de hele wereld (ruimte) samengebald is de tijdsspanne van een dag, is Finnegans Wake de hele wereldgeschiedenis (tijd) samengebald in de kleine ruimte van Howth Kasteel en Immelanden. Daarna breidt Joyce de zin uit: "brings us to Howth Castle and Environs!" De circulariteit van het boek is er dan al, zodat hij er meteen van maakt: "brings us back to Howth Castle & Environs". Dan pas, in handschrift op het typoscript, komt de rivier: "river brings us back to Howth Castle & Environs." Daarna maakt hij van "river" "river-run", met een streepje, dat na twee getypte versies weer verdwijnt. Zo verschijnt de zin in het eerste nummer van het tijdschrift transition. Joyce doet er verder niets meer aan totdat in 1936 de boeksamenstelling begint en hij van de gelegenheid gebruik maakt het een en ander toe te voegen. Het een en ander? Niet alleen deze zin wordt drie keer zo lang, maar het hele boek wordt in de laatste revisies drie keer zo dik. Hij voegt "past Eve and Adam's" toe en "by commodious recirculation", wat hij meteen verandert in "by a commodious vicus of recirculation", en dat was nog steeds niet de zin zoals we hem kennen. Joyce maakte volop gebruik van zijn ongelimiteerde aantal correctierondes. Als de drukker niet was gaan drukken was hij nu nog bezig met toevoegen. Finnegans Wake is niet meer dan een tussentijds verslag, een zeer voorlopige stand van zaken.
 

De eerste bladzijde. Als de eerste bladzijde van Finnegans Wake niet de eerste bladzijde is die geschreven is, wat is die eerste bladzijde dan wel, die Joyce op 11 maart aan miss Weaver opstuurde? Het eerste wat hij schreef waren een soort schetsen, korte vignetten, niet langer dan anderhalve bladzijde, maar wel al helemaal in de verwrongen staaltaal van het latere Finnegans Wake. De eerste vier sketches gaan over koning Roderick O'Conor, de laatste preëlektrische koning van heel Ierland, als waard in een kroeg die na sluitingstijd de bodempjes uit de glazen van de klanten drinkt, over Sint Kevin in een badkuip, over bisschop Berkeley en Sint Patrick die een filosofische discussie houden in pidgin-Engels en over Tristan en Isolde met Tristan in de rol van rugby- en voetbalkampioen. Als Bloom Odysseus had geheten had hij in net zo'n sketch door Dublin kunnen zwerven. Hoe ver Joyce wilde gaan met zijn verhutspotting van de wereldgeschiedenis blijkt uit een aantekening uit die tijd: "T(ristan) probeert Moses te doden in een kroeg."
 

De kern. Is dat dan het begin, het verhaal over de waterdichte polemarch Rory O'Conor? Nee, want toen de schetsen eenmaal bij miss Weaver lagen vergat Joyce dat ze bestonden en pas in 1938 schoot het hem weer te binnen. Miss Weaver stuurde ze terug en Joyce heeft ze toen met veel pijn en moeite een plaats gegeven in Finnegans Wake (het verhaal over Roderick O'Conor staat op bladzijde 380-382). Met de vijfde schets begint het verhaal pas echt, maar daarvoor moeten we het Kanaal weer oversteken. Bognor, Sussex, Engeland, augsutus 1923. De bomen ruisen in het zomerseizoen. De madeliefjes, de klaver en de zuring tieren welig op het slagveld van Hastings waar ooit wereldgeschiedenis werd geschreven. James Joyce, 41 jaar, ooglijdend en al zijn tanden kwijt ('Op een ochtend in april moest hij naar het ziekenhuis en daar werden 17 tanden getrokken. Toothless Kinch kon met zijn laatste grote roman beginnen.'), voorbij het midden van zijn leven, is met zijn familie op vakantie, zonder zijn zoon Giorgio, maar met zijn vrouw Nora, dochter Lucia en schoonzus (en niet Joyce zijn nichtje, hoewel ze dezelfde naam hebben) Kathleen, die van Nora toegefluisterd krijgt: "Hij is weer aan een nieuw boek bezig..." Als Nora en Kathleen een paar suède schoenen willen ruilen in Woolworth's en de verkoper ze niet wil terugnemen spreekt Nora voor het eerst (en voor het laatst) positief over het werk van haar man: "Mijn man is schrijver en als u die schoenen niet ruilt zorg ik dat het in de krant komt!" Ja, het zijn onbezorgde dagen. De verkoper neemt de schoenen onmiddellijk terug. De zon schijnt, het landschap is vredig. Het licht in het Alexandra House, het rococopensionnetje aan de Clarence Road gaat uit om elf uur en zodra je je vork hebt neergelegd, wordt je bord onder je neus weggehaald. Lucia gaat terug naar Frankrijk, op zomerkamp, waar ze wordt voorgesteld aan de Spaanse koning (wat volgens Joyce haar hoofd op hol bracht: "the glorifires of being presainted maid to majesty", FW 304.22). T.S. Eliot brengt een bezoek en er komt een brief van miss Weaver, waarin ze Joyce nog eens 12.000 pond schenkt. En hij schrijft als een gek. Hij is bezig met een vijfde verhaal, over een kroegbaas in Chapelizod (een voorstadje van Dublin), zijn vrouw (Anna Livia Plurabelle, dan nog geheten Dame Alia Barbara Esmond) en kinderen (Shem, Shaun en Isolde). Op een uitstapje naar het kerkhof van Sidlesham (in de Hundred of Manhood, 8 kilometer van Bognor) leest hij de naam Earwicker op een aantal graven. Zo zal hij heten, zijn hoofdpersoon: Humphrey Chimpden Earwicker. De schets groeit al snel zo uit zijn voegen dat er een heel boek nodig is om plaats te bieden aan de gebeurtenissen, dat is de hele wereldgeschiedenis.
 

Conclusie? Zeventien jaar lang heeft Joyce geschreven aan wat Finnegans Wake zou worden. Een tijdlang heeft hij gedacht een aantal korte verhalen te schrijven die als actieve elementen zouden moeten gaan fuseren, tunnels die elkaar moesten ontmoeten. Hij heeft gedacht aan de naam Finn's Hotel, maar totdat hij het zeker wist heette zijn boek voor de buitenwereld Work in Progress. Wanneer hij precies bedacht hoe het boek moest heten en hoe het er moest gaan uitzien is niet bekend. Ook daarom is het al onmogelijk uit te maken wat het begin van Finnegans Wake is. Het boek heeft geen begin en geen einde, of: het boek heeft vele beginnen en eindes.
 

Dit in tegenstelling tot Joyce zelf, zoals ook Edna O'Brien ons duidelijk maakt in haar biografie. Joyce werd geboren, leefde en stierf (korte universele samenvatting). De belangrijkste vraag die Edna O'Brien opwerpt, ongetwijfeld met een knipoog naar haar eigen getormenteerde leven (gescheiden, twee kinderen, tien jaar niet meer schrijven), is: 'Moet een schrijver een monster zijn?' Ja, is haar vergoelijkende antwoord, alsof Joyce verdedigd moet worden tegenover de Sint Petrus in ons, ons laatste oordeel: mag ie erin of vliegt ie eruit? Ja, een schrijver móet een monster zijn, want anders zou het geen schrijver zijn. Wil je het doen en laten van de mensen afdoende beschrijven, dan moet je zo'n afstand tot ze nemen dat het niet veel meer dan spoken voor je zijn. Hoe beter de schrijver, hoe groter de afstand. En Joyce was een monster, met monsterlijke tekortkomingen op het menselijke vlak. O'Brien heeft het over zijn gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef, zijn exploitatie van iedereen in zijn omgeving, inclusief zijn kinderen voor zijn eigen meerdere eer en glorie, zijn monomanie, zijn gevoelloosheid, kortom zijn drankzucht. En Nora zei: "Een schrijversvrouw zijn is een hard leven." Iets wat Edna O'Brien beaamt: "Schrijvers zijn een gesel voor degenen met wie ze samenwonen. Ze zijn aanwezig en tegelijk zijn ze afwezig." Monsterlijk! Nee, je kan je beter afvragen of een schrijver een mens moet zijn. En in de taal van Finnegans Wake verdwijnt het probleem helemaal, als eieren voor de zon: Mons? Mens? Monster? Menster! EN IK KOMT JULLIE OPETEN!!!!!!
 

Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes
 

[Edna O'Brien: James Joyce, Weidenfeld & Nicolson, 1999.]
 

[Genitricksling Joyce (European Joyce Studies 9) onder redactie van Sam Slote en Wim Van Mierlo, Amsterdam, Rodopi, 1999.]