Nieuwsbrief
James Joyce Centrum
UIA-GER
Universiteitsplein 1
B2610 Wilrijk
België
Tel: 32-3-820 2782
Fax: 32-3-820 2762
E-mail: lernout@uia.ua.ac.be
Op het WWW hebben wij onze eigen pagina:
http://ger-www.uia.ac.be/webger/ger/joyce/joyce0.html.
Activiteiten
Het Centrum werd gesticht in de zomer van
1989. Wij houden ons bezig met een aantal projecten, waarvan de genetische
studie van het laatste werk van Joyce, Finnegans Wake, en de studie en
editie van de Finnegans Wake werkboeken, de belangrijkste maar niet de
enige zijn. Andere wetenschappelijke projecten spitsen zich toe op een
vergelijking tussen de genetische werkwijze van Joyce met die van Marcel
Proust en Thomas Mann, de invloed van Joyce' werk op de Nederlandstalige
literatuur, het ontwikkelen van een Finnegans Wake encyclopedie en het
coördineren van het genetische Joyce onderzoek in het kader van het
Joycean Genome Project. Voor ABES, een Annotated Bibliography for English
Studies op CD-ROM, werden wij eind 1998 samen met Dr. Anne Fogarty van
University College, Dublin gevraagd om het deel over het werk van James
Joyce te verzorgen. Professor Michael Groden vroeg ons het "Eumaeus" hoofdstuk
uit te werken voor de Hypermedia editie van Ulysses die in voorbereiding
is. We nemen ook drie hoofdstukken voor onze rekening in een ambitieuze
genetische gids voor Finnegans Wake die zal worden uitgegeven door Luca
Crispi en Sam Slote.
Daarnaast verlenen wij ook dramaturgisch advies
voor theater- en muziektheatervoorstellingen rond het werk van Joyce. De
vertaling van Exiles voor de Kaaitheater-productie van 1993 (met een tweede
reeks voorstellingen in de herfst van 1994) werd in juli 1993 beëindigd.
Wij geven lezingen, publiceren recensies en artikelen over Joyce in kranten
en tijdschriften. Daarnaast hebben wij een homepage met bibliografie en
artikelen en maken wij deel uit van Eurojoys, een Europees computernetwerk.
Verder gaat het Centrum vanaf 1998 bij uitgeverij Brepols een jaarboek
uitgeven, Genetic Joyce Studies.
[GL]
Ons adres:
James Joyce Centrum
UIA-GER
Universiteitsplein 1
B2610 Wilrijk
België
Tel: 32-3-820 2782
Fax: 32-3-820 2762
E-mail: lernout@uia.ua.ac.be
Op het WWW hebben wij onze eigen pagina:
http://ger-www.uia.ac.be/webger/ger/joyce/joyce0.html.
TIPS VOOR JOYCE-TRIPS
* 13-20 juni 1998: "Classic
Joyce"
16e internationaal Joyce
Symposium te Rome
Om de twee jaar komen alle Joyceanen samen
om Bloomsdag te vieren en in een congres hun visie op Joyce' werk uiteen
te zetten. Dat gebeurt dit jaar in de stad waar Joyce gedurende zeven maanden
en zeven dagen een job als bankbediende, Engelse bijlessen (en heel veel
alcohol) combineerde.
Het algemene thema wordt "Classic Joyce",
wat door de deelnemers reeds op allerlei manieren werd ingevuld: "Joyce
and Latin", "The Dantean Moment of Joyce", "Classic Moments in Finnegans
Wake, "Classicism in Modernism", "Klassic Komics",... Uiteraard is
het kiezen voor dit onderwerp niet verplicht, en zijn er een heel aantal
panels waar de link met Classic Joyce niet geforceerd wordt.
Hoogtepunten van dit jaar zijn plenaire
lezingen door Hugh Kenner, Umberto Eco en Luciano Berio. Verder is er een
aparte workshop en multimediale voorstelling rond Giacomo Joyce en een
tentoonstelling i.v.m. het Rome in Joyce' tijd en Joyce' invloed op de
Italiaanse kunst. Tijdens de daguitstap worden plaatsen bezocht die verband
houden met de reis van Odysseus, zoals de "Riviera di Ulysse".
Optredens van vertegenwoordigers uit
onze lage landen: Christine van Boheemen (Universiteit van Amsterdam)
staat genoteerd bij de panels "Joyce's Negative Aesthetics III: Absence
and Actuality" en "Joyce and Judith Butler - A Double Session". Susan de
Sola Rodstein wordt de chair van "Military Joyce". Hedwig Schwall (K.U.
Leuven) vonden we terug met de titel "Three Metamorphoses of Moses" (én?)
bij een sessie rond "Joyce and Lacan". Wim Van Mierlo (University of Miami,
ex-U.I. Antwerpen) zoekt nog deelnemers voor zijn panel rond "Culture/Wake/History".
"Recent Genetic Work at the Wake" wordt onder andere voorgesteld door Erika
Rosiers (University of Florida, ex-U.I.Antwerpen), Geert Lernout en Ingeborg
Landuyt (U.I.Antwerpen).
Wie een internetaansluiting heeft kan via
de homepage van ons centrum de link volgen van de International Joyce Foundation.
Voor meer informatie ivm registratie: SPAZIO s.r.l. XVI International J.J.
Symposium; Via Nazionale, 66; 00185 Rome ; Italië.
Tel. ++39 6 4880862 / Fax ++39 6 4882433
* 21 - 27 juni 1998: "The Trieste Joyce School"
Het Italiaanse zusje van de Dublinse Summerschool.
Tijdens de ochtendsessies worden er lezingen gehouden over o.m. "Joyce's
Triestine friends", "Joyce & Pound", "Joyce & the Austro-Hungarian
Empire" en "Joyce's writings in ‘Il Piccolo della Sera'". De namiddagen
worden gevuld met seminaries over Dubliners (begeleid door Thornton Weldon
en Timothy Martin), Ulysses (Terence Killeen en Fritz Senn) en Joyce' Triestijnse
geschriften (Kevin Barry & John McCourt). Sfeermakers zijn diverse
sociale activiteiten zoals stadswandelingen, bezoeken aan de Grieks-Orthodoxe
kerk, de joodse synagoge, het Teatro Verdi, het muziekmuseum, het Caffè
San Marco,... Tijdens de poëzieavond zal de Ierse dichteres Paula
Meehan voorlezen uit eigen werk.
Contactadres: University of Trieste.Facoltà
di Lettere e Filosofia. Dipartimento Letteratura e civiltà anglo-germaniche.
Via del Lazzaretto vecchio 8. 34123 Trieste. Italië.
Tel. 003940.6767249/50 Fax. 003940.6767247
http://www.univ.trieste.it/~nirdange/netjoyce
* 12
- 24 juli 1998:
"The James Joyce Annual
Summer School"
Twee weken lang genieten van Joyce én
Dublin. Elke ochtend staan er lezingen van ondermeer Peter Costello, Michael
Groden, Jennifer Levine en Margot Norris op het programma. De namiddagen
worden gevuld met leesgroepen rond Dubliners, A Portrait of the Artist
as a Young Man, Ulysses, Finnegans Wake en Joyce en de hedendaagse Ierse
literatuur. Het geheel wordt rijkelijk overgoten met sociale activiteiten
allerhande zoals wandelingen door Dublin (mét verkenningen van de
plaatselijke pubs), theater, poëzie,... Het aantal deelnemers
is beperkt tot 60. [IL]
Contactadres: Helen Gallagher. Dept. Of English.
University College Dublin. Belfield. Dublin 4. Ireland. Tel. 353-1-706-8480.
Fax. 353-1-706 1174
http://www.artsworld.ie/joyce_school
Homepage Antwerp
James Joyce Center (AJJC)
http://ger-www.uia.ac.be/webger/ger/joyce/joyce0.html
Naast een overzicht van de publicaties en
het werk van de onderzoekers van het Joyce centrum zijn ook een aantal
artikels on-line te raadplegen. De web-site van het Joyce centrum is gelinkt
met andere sites zoals The Interactive 'Finnegans Wake' Notebook Page van
Christopher Bjork, EuroJoys van Hans Walter Gabler en Barney Engelhart,
en de site van The International James Joyce Foundation, die op zijn beurt
verbonden is met allerlei e-mail-lists en elektronische discussiegroepen.
Er is ook een lijst met belangrijke adressen op te vinden en een inschrijvingsformulier
voor wie lid wil worden van de Foundation. Via de "Work in Progress"-site
van Rob Callahan is het elektronische tijdschrift Hypermedia Joyce Studies
te bereiken, waarvan de redactie bestaat uit Lawrence James, Alan Roughley,
Rob Callahan en Julian Croft. De link met het Institut des Textes et Manuscrits
Modernes (ITEM) geeft niet alleen een idee van het onderzoek van de "Equipe
Joyce" in Parijs, maar ook van alle andere activiteiten van dit Franse
instituut voor genetisch literatuuronderzoek.
tijdschriften
* James Joyce Quarterly, editor: Robert Spoo (University of Tulsa): verschijnt al sinds het begin van de jaren zestig drie tot vier keer per jaar, af en toe met een themanummer. Regelmatig wordt een check-list bijgehouden van publicaties van en over Joyce. (University of Tulsa, Tulsa OK 74104-3189)
* James Joyce Newestlatter, editor: Morris Beja: nieuwsbrief van de International James Joyce Foundation (Department of English, The Ohio State University, 164 West 17th Avenue, Columbus OH 43210, USA; meer info op de website, te bereiken via de AJJC homepage)
* James Joyce Annual, editor: Thomas F. Staley (University of Texas, Austin): publiceert jaarlijks uiterst interessante wetenschappelijke artikels over uiteenlopende aspecten van Joyce' werk. (University of Texas Press, P.O.Box 7819, Austin TX 78713-7819; fax: 512-320-0668; meer info op de website, te bereiken via de AJJC homepage)
* James Joyce Literary Supplement, editor: Zack Bowen (University of Miami): hoofdzakelijk recensies van primaire en secundaire Joyce-literatuur. (University of Miami, Dept. of English, PO Box 248145, Coral Gables FL 33124; website: http://www.miami.edu/eng/jjls/jjls.htm; e-mail: jjls@umiami.ir.miami.edu)
* The James Joyce Broadsheet, editors: Richard Brown en Alistair Stead (University of Leeds) en Pieter Bekker (Leeds Metropolitan University): gespecialiseerd tijdschrift met voornamelijk recensies van studies over het werk van James Joyce. (University of Leeds, School of English, Leeds LS2 9JT, e-mail: JJBRDSHT@Leeds.ac.uk; meer informatie op de website, te bereiken via de AJJC homepage)
* Papers on Joyce, editors: Francisco García Tortosa & José Antonio Álvarez Amorós: jaarlijkse publicatie van de Spanish James Joyce Society, die een zo breed mogelijk interesseveld van theoretische benaderingen probeert te bestrijken. (F. García Tortosa, Departamento de Literatura Inglesa y Norteamericana, Facultad de Filología, Universidad de Sevilla, 41004 Sevilla, Spain)
* A Finnegans Wake Circular, editor: Vincent Deane. Publiceert voornamelijk resultaten van bronnen- en genetisch onderzoek, met transcripties van (delen van) de Finnegans Wake notebooks, voorafgegaan door een korte inleiding. (Vincent Deane, 38 Anna Villa, Ranelagh, Dublin 6, Ireland)
* European Joyce Studies, editor: Fritz Senn. Gespecialiseerde reeks met themanummers (bv. rond het concept tijd in Finnegans Wake of rond genetisch onderzoek); verschijnt op onregelmatige tijdstippen. (Editions Rodopi B.V., Keizersgracht 302-304, 1016 EX Amsterdam; F.van.der.Zee@rodopi.nl; fax: 20 638 09 48)
Leesgroepen
James Joyce Junction (Triple J)
Bert Bultinck
Bent u eerder een fan van Stephen of kan u meer sympathie opbrengen voor Leopold? En vindt u het Linati-schema verhelderend of eigenlijk vooral hinderlijk? En zijn de Wandering Rocks volgens u een magistrale krachttoer of vindt u het hoofdstuk eigenlijk maar niets?
Het zijn vragen die moeilijk gesteld kunnen worden in een ernstige academische discussie, maar ze kunnen opduiken bij een eenvoudige lectuur van Ulysses. Misschien verraden ze een ongepast hoog inlevingsvermogen van de ietwat amateuristische lezer, misschien lijken de vragen hopeloos irrelevant. In elk geval zijn het vragen die in onze Ulysses-leesgroep daadwerkelijk werden gesteld, waarna een korte discussie volgde, compleet met drank, aardappelchips en ironiserende opmerkingen. En ten minste één lezer vond ze relevant genoeg om de vraag in de groep te werken. Nee, leesgroepen hoeven zich niet vijandig op te stellen tegenover het universitaire Ulysses-bedrijf. Ze kunnen van sommige producten profiteren, maar voor de rest laat het hen eigenlijk gewoon koud. Een leesgroep is niets meer dan een verzameling lezers die graag over boeken praten, die samen/alleen een boek willen doorwerken omdat dat nuttig, handig, maar vooral ook aangenaam blijkt.
Het concept van de leesgroep gaat natuurlijk sterk in tegen de traditionele icoon van de lezer met-een-boekje-in-een-hoekje, en natuurlijk kan niemand ontkennen dat lezen bij uitstek een solitaire activiteit is. En al hebben wij al grote lappen tekst gewoon luidop voorgelezen, de lectuur zelf gebeurt in principe toch vooraf, alleen, al dan niet in een hoekje. Niettemin ken ik weinig mensen voor wie de kous af is na het solitaire gedeelte. Het blijkt bijzonder attractief om over literatuur te praten : het geeft je een zeker aanzien (culturele bagage), het is dikwijls een vruchtbaar onderwerp om een gesprek over te beginnen en het geeft je de kans om je image in contact met anderen te negotiëren. Iets minder sceptisch kan je gewoon ook zeggen dat gesprekken over boeken kunnen ontaarden in uiterst boeiende, vermoeiende, revitaliserende discussies op het scherp van de snee. Het volume van de steeds luider klinkende stemmen wordt dan niet zelden recht evenredig met het enthousiasme waarmee de volgende lectuurbeurt wordt aangevangen.
En ondanks al deze psychologiserende verklaringsgronden blijft het iets vreemds. Veel lezers voelen steeds weer de onverklaarbare drang om hun literaire helden te verkopen aan vrienden en kennissen. Deze horen wat meewarig de lange geloofsbelijdenissen aan of krijgen juist zin om naar het dichtstbijzijnde filiaal van de grote boekenwinkelketen te hossen. Die litanieën gaan dikwijls over niets behalve dan het feit dat deze of gene auteur fantastisch, schitterend en groots is. Ze verzanden heel snel in gloedvolle monologen of stokken, waarbij uiteindelijk zelfs de enthousiaste vriend vol luisterbereidheid nu slechts nog met grote inspanning een grom of jaja kan schenken. In een leesgroep is dat toch net iets anders. Door de lichte institutionalisering van boekenpraatjes verliezen die daar hun bijna mercantiele verkondigingskarakter en kan er via een eenvoudige terugkeer naar de tekst terug een dialoog ontstaan.
Joyce is voor zo'n leesgroepen uitermate geschikt. Omdat de lectuur van bijvoorbeeld Ulysses niet zo evident is, beginnen gesprekjes vaak bij vragen om opheldering. Wie is wie en waar hebben we die nog gezien, waar zijn we nu ergens, wat betekent dat woord, hoe kunnen we die referentie begrijpen. Ulysses is moeilijk genoeg om er een gesprek over te hebben. Als die complexiteit dan ook nog eens garant staat voor betekenisrijkdom hoeft het niet te verbazen dat veel professionele leesgroepleiders net Ulysses aanbevelen voor een groepsbehandeling.
Maar ook Finnegans Wake gedijt in groepsverband. Een klein groepje Joyce-fanaten komt elke twee weken samen om een aantal regels Finnegans Wake uit te pluizen. Wanneer ik het Antwerpse Theaterhotel binnenstap, zie ik op het grote bord in de hall de verschillende activiteiten van de avond. Bij de Shakespearezaal staat droogjes "Joyce". De groepsleden zijn in het begin een beetje achterdochtig, maar komen geleidelijk los. Ze hebben een ietwat ambivalente relatie met de outsiders die over het algemeen hun passie niet delen. Liesbeth van Gool, die voor elke bijeenkomst ruim twee dagen opoffert om de haast onmogelijke interpretatie-opdracht tot een min of meer bevredigend einde te brengen, praat niet vaak meer over hun leesgroepje: "In het begin deed ik dat nog wel eens. Maar van zodra je Finnegans Wake vermeldt, kijken de mensen verveeld weg of vinden ze je hopeloos elitair". De drie permanente leden hebben al veel mensen zien komen en gaan: "Bij onze eerste bijeenkomst, n.a.v. een symposium over Joyce op UIA, waren we nog met vijftien. Dat aantal verkleinde al snel en nu zouden we graag nog wat mensen bij willen". Geen van de drie heeft letteren gestudeerd en slechts één heeft als bibliotheekbediende beroepshalve met literatuur te maken: "We zijn volstrekte autodidacten die puur voor het plezier de Wake doorworstelen. Alhoewel het een enkele keer wel frustrerend werkt als je totaal geen betekenis kunt geven aan een stukje tekst, lees je toch veel vaker een van die absoluut prachtige zinnen die alleen Joyce heeft geschreven. Daar doe je het voor." Ze zijn overigens niet echt opgezet met de academische industrie rond Joyce en gebruiken slechts een beperkt aantal secundaire werken, die dan ook onmisbaar worden geacht. Behalve de Encyclopaedia Brittannica en een Engels verklarend woordenboek uit Joyce' tijd gebruiken ze ook de Annotations to Finnegans Wake van McHugh: "Dat boek is broodnodig om af en toe te controleren of je niet volledig in het ijle aan het interpreteren bent. Maar de hele academische industrie rond Finnegans Wake laat ons koud. De interpretaties die je daar vindt, proberen wij zelf te vinden. Wij willen het zelf uitzoeken. Bovendien gaan de meeste secundaire werken typisch over de minder obscure gedeelten. En aan Lacaniaanse of feministische interpretaties heb ik sowieso geen boodschap" aldus Jan Asaert die overigens ook een vurige fan van Ulysses is. Hij leest het boek al 25 jaar en leest het elk jaar opnieuw: "Ulysses is zo onvoorstelbaar rijk, rijker dan het lezen zelf. Je hoeft eigenlijk niet meer te leven als je Ulysses in je opneemt. Eigenlijk vind ik Ulysses beter dan de Wake: terwijl het eerste boek je nog in je waarde laat als lezer, word je in de Wake niet meer behandeld als gelijke. Het lijkt alsof Joyce iets had van 'ze zullen het wel niet begrijpen maar ik zal het toch maar opschrijven'". Alhoewel het er op de bijeenkomsten behoorlijk ernstig aan toe gaat, wordt er toch wat afgelachen, vaak ook om het hoogintellectuele karakter van de bijeenkomsten lichtjes ironisch te ondermijnen.
De Wakeans voelen ook helemaal niet de behoefte om hun vondsten naar buiten te brengen. Het is pure liefhebberij die hen drijft en een publicatie van hun bevindingen zou veel te veel werk vragen, wat enkel het leesplezier zou kunnen verstoren. Liesbeth Van Gool: "We zijn nu al vijf jaar bezig en we banen ons nu een weg door pagina 67. Volgens mijn berekeningen zijn we klaar met onze lectuur rond 2060. Omdat je in dit Boek der Boeken echt álles vindt, werkt het lezen ervan echt verslavend. Bij het zoeken naar de zes, zeven lagen die in elke paragraaf verborgen zitten, leer je telkens weer gigantisch veel bij". Maar uiteindelijk wint het esthetisch genot het makkelijk van de educatieve waarde: "Finnegans Wake gaat uiteindelijk om het ontdekken van schoonheid in iets dat eerst heel duister was". [BB]
______________________________________________________________________________
Wat is uw huis zonder Potje Plumtree Paté ?
Waar was Mozes toen de kaars uitging ?
Wat te doen met onze vrouw ?
Who do you no tonigh, lazy and gentleman?
Does your mutter know your mike ?
Wat vraagt ú zich nu al jaren af
bij uw Joyce-lectuur ?
Vanaf ons volgende nummer kunnen uw vragen
hier in de Gnantwerp Gazette een plaats vinden. Wij zullen ons best doen
ze van een antwoord te voorzien.
Ook alle suggesties, tips, data of Joyceweetjes allerhande zijn hartelijk welkom bij:
James Joyce Centrum
UIA-GER
Universiteitsplein 1
B-2610 Wilrijk
Editie - Editie
- Editie
De slag om 'Ulysses'
Dirk Van Hulle
Op 27 juni 1997 werd Danis Rose door Stephen Joyce beschuldigd van een ernstig vergrijp, te weten de verkrachting van Ulysses (zie lezersbrief in Times Literary Supplement). De zaak werd naar aloude traditie in de pers uitgevochten, met voorspelbare afloop. Als het van Stephen Joyce afhangt zijn alle Ulysses-editeurs gedoemde Waterlosers, zoals blijkt uit een blitzbezoek aan het slagveld annex museum.
This the way to the Ulysseum
Dit is de eerste editie, uitgegeven bij ‘Shakespeare
and Company' te Parijs in februari 1922. Dit is de ‘Egoist Press'-editie,
van oktober 1922 en die van januari 1923, waarvan er 499 in beslag werden
genomen door de douane in Folkstone. Dit is opnieuw uitgegeven bij ‘Shakespeare
and Company' in januari 1924. Dit is de uitgave van ‘The Odyssey Press'
uit 1932. Dit zijn de New-Yorkse edities van ‘Random House' uit 1934 en
de ‘Limited Editions Club' uit 1935 met illustraties van Matisse. Dit zijn
de Londense ‘Bodley Head'-edities uit 1936 (waarvan Joyce er honderd signeerde)
en 1937. Dit is nogmaals ‘Random House', opnieuw gezet in 1961. Dit is
de ‘Penguin'-paperback van 1968. Dit zijn de drie geïllustreerde edities
van de ‘Franklin Library' in New York, verschenen tussen 1976 en 1979.
Tip
Dit zijn de drukfouten in de eerste editie van Ulysses, gezet door Franse drukkers die nauwelijks een woord Engels verstonden: het aantal drukfouten werd tot voor anderhalf decennium op zo'n tweeduizend geschat. Tot Hans Walter Gabler in 1984 beweerde dat hij er maar liefst vijfduizend verbeterd had in zijn kritische editie.
Dit is ‘The Corrected Text'
stond er op de kaft te lezen toen de leestekst
van Gablers uitgave bij Random House apart verscheen. John Kidd nam even
later de Lewisiaanse rol van ‘The Enemy' op zich door te beweren dat Gabler
er met zijn correcties vijfduizend nieuwe drukfouten bijgecreëerd
had. Terwijl de tegenaanval van Kidd in de vorm van zijn eigen editie op
zich liet wachten, bracht ‘Random House' maar alvast de oude editie van
1961 opnieuw uit en lanceerde de ‘Oxford University Press' uit pure wanhoop
opnieuw de Parijse versie van 1922, met alle oude vertrouwde fouten.
Tip
Toen bracht ‘Lilliput Press' vanuit een totaal onverwachte hoek (Dublin) een "Reader's Edition" uit. In de introductie wijst editeur Danis Rose erop dat "the overriding criterion applied in creating this edition has been to maximize the pleasure of the reader." Concreet betekent dit voornamelijk een aanzienlijke toename van het aantal leestekens. Joyce' "scrotumtightening" gewoonte om woorden samen te trekken zat Rose iets te strak, zodat hij tussen de talloze samenvoegingen een koppelteken plaatste. Ook het gebrek aan apostroffen in Molly's monoloog (bij voorbeeld "Ill" i.p.v. "I'll) was Rose een doorn in het oog. Hij respecteert Joyce' beslissing om zo goed als alle interpunctie uit het laatste hoofdstuk weg te laten, maar weglatingstekens weglaten lijkt hem geen goed idee, zodat hij er geen graten in ziet Molly's woordenvloed hier en daar van een ademhalingsteken te voorzien. De versie zonder afkappingstekens is wel opgenomen als een appendix. Het criterium om uit te maken wat al dan niet leestekens zijn is even dubieus als Rose' beslissing om niet alleen "errors" (fouten gemaakt door iemand anders dan de auteur), maar ook "faults" te verbeteren, d.w.z. ‘fouten' die Joyce zelf heeft gemaakt tijdens het overschrijven van zijn eigen tekst.
Dit is de kogel die de vlag van de Pruisten byng
Dat editeurs de neiging hebben zich meer uit te sloven dan de schrijvers die ze uitgeven ligt wellicht in de aard van hun beroep. Maar is het te verantwoorden dat een uitgever de verantwoordelijkheden van de schrijver in diens plaats op zich neemt? Joyce was nu eenmaal geen Pruis. Als de auteur volgens sommigen zijn eigen werk te laks corrigeerde, dan is die laksheid, volgens Clive Hart, een essentieel aspect van zijn karakter. Als Joyce een ander karakter had gehad, zou hij wellicht ook een totaal ander boek hebben geschreven. Of misschien wel helemaal geen.
Tip. (Schots in de Rose! Mooi!)
Het is stilaan een traditie geworden dat elke nieuwe editie van Ulysses heel wat stof doet opwaaien. Een van zijn Aeoluseffecten sorteerde Rose door de krantenkoppen in het zevende hoofdstuk en ook de theatertypografie in het ‘Circe'-hoofdstuk - in de naam van de leesbaarheid - zo onopvallend mogelijk te houden. John Kidd belooft dat zijn editie er typografisch alvast zal uitzien zoals de oorspronkelijke uitgave, met precies evenveel bladzijden, 732, zoveel als er dagen en nachten in een schrikkeljaar (bij voorbeeld 1904) gaan. Maar Kidds editie, die naast de boekversie ook een CD-ROM met annotaties zal aanbieden, wordt al langer aangekondigd dan Joyce aan Ulysses heeft gewerkt. Ook het project van Michael Groden (een hypermediapresentatie van Ulysses) zal nog wel even op zich laten wachten, dus wat dat betreft heeft Rose in elk geval gelijk als hij het opneemt voor de lezer die in het academische strijdgewoel intussen op zijn honger blijft. Rose stelde voor zijn editie een zogenaamde ‘isotekst' samen die alle varianten bevat, te vergelijken met de synoptische tekst (de linkerbladzijden) in Gabler's kritische editie van 1984. Die isotekst zou de basis moeten worden voor een hyperteksteditie, die de lezer in de gelegenheid zou moeten stellen de ingrepen van de editeur te controleren. Bij voorbeeld in het geval van het fruit dat Blazes Boylan staat te keuren in de kruidenierszaak in hoofdstuk 10.
Dit is de trippelvertrappelde steek van Lipoleum.
In een vroeg typoscript heeft Joyce "eying crinkled and plump red tomatoes" toegevoegd. De zetter vergat een "e" in "eying" en maakte er "ying" van. Foutje. Maar bij het herlezen herinnerde Joyce zich niet meer wat hij oorspronkelijk had geschreven, dus maakte hij er "young" van. Rose kiest resoluut voor de eerste versie, en zelfs die moet volgens hem anders gespeld worden: "eyeing". Over het algemeen geeft Rose de voorkeur aan de vroegste versie. In dit opzicht verschilt zijn Viollet-le-Duc-aanpak van die van Gabler, die in zijn leestekst telkens voor de laatste versie in Joyce' handschrift koos. In het tijdschrift ‘Lingua Franca' (oktober 1997) noemt John Kidd de uitgave van Gabler een "renovatie", in tegenstelling tot zijn eigen editie, die een "restauratie" moet worden. De vraag blijft of het wel de taak is van de editeur om te restaureren, terwijl bewaren vaak al moeilijk genoeg is. Volgens Kidd heeft Rose bij het restaureren en schoonmaken te veel weggeschraapt. Maar ook zijn eigen restauratie zal te nemen of te laten zijn.
Dit is een Proustig geweder
Dit is even iets anders dan Joyce. Wie in
het Mauritshuis in Den Haag het fameuze gele muurtje zoekt dat volgens
Proust
Dit is een ffranzmann
op het schilderij ‘Zicht op Delft' van Vermeer
te zien is, voelt zich bedrogen. Er staat enkel een rozig muurtje op het
schilderij en een paar oranje daken, maar geen "petit pan de mur jaune".
Daar is onder ‘proustiens' al serieus wat over gespeculeerd, maar wat er
nu in het Mauritshuis hangt is de nog niet zo lang geleden gerestaureerde
en schoongemaakte versie. Toen Proust het schilderij te zien kreeg, was
het rozige muurtje misschien niet geel maar in ieder geval vergeeld.
Dit is de ffranz die vuurt op die
Rose
die bang die vlag van de Proustiens
De enige Ulysses-editie die de lezer de mogelijkheid
biedt de beslissingen van de uitgever te controleren en laat zien wat de
onderliggende lagen van het woordje "young" zijn, is tot nog toe de kritische
van Gabler.
Tip:
Deze is nog steeds een investering waard,
ook al is er weer een en ander op til. Want ook Gabler heeft intussen niet
stilgezeten. De databank van zijn synoptische tekst is intussen omgezet
in een computertaal (SGML) die heel wat toepassingen mogelijk maakt, onder
meer de combinatie van conservering en restauratie, zodat uit die hoek
binnenkort wellicht een elektronische editie te verwachten is. Tenzij Stephen
de Gevreesde dat geen goed idee vindt. De editie van Danis Rose verdient
het volgens hem alvast niet als een werk van James Joyce te worden gepresenteerd.
Na de editie van Gabler, die blootlegde wat "the word known to all men"
was, is uit de editie van Rose vooral gebleken wat er naast "love" nog
allemaal kan sneuvelen. Zolang de Ulysses-uitgevers zowel Stephen Joyce
als elkaar rauw blijven lusten, duurt de veldslag voort en blijft Ulysses
een slagveld. [DVH]
Vertaalwerk-in-wording
Robert-Jan Henkes en Erik Bindervoet werken
al sinds twee jaar aan een vertaling van het onvertaalbaar geachte Finnegans
Wake. De eerste vier hoofdstukken zijn bijna af. Als alles goed gaat, verschijnt
de volledige vertaling medio 2004 bij Querido.
Over de eigen naam van de oorwurm
Robert-Jan Henkes en Erik Bindervoet
Finnegans Wake, aflevering 1132, waarin de
natuur weer gaat spreken en ons tekens geeft in homonieme onomatopeeën
om te laten zien: hier lig, hier ben ik, want alles spreekt in zijn eigen
taal, wolken, bergen, rivieren, insecten, rotsen, golven, ze hebben ons
allemaal wat te vertellen. Open uw oren en luister.
Sllt, sllt, sllt...
Gris gris gris - fssssjjjj
Tsjirpe tsjirpe tsjiep-tsjiep...
We zitten met onze vertaling-in-wording in
de diepe donkere jungle van pagina 29, maar er schijnt licht door het kreupelhout.
Dit is de laatste keer voor een hele lange tijd dat meneer Finn nog een keertje wakker wordt, voordat ze hem goed en wel te rusten leggen onder de groene zoden van het eiland van smaragd. Daar aan het eind zien we met onze kijker de nieuwe held komen aanvaren, die de oude, Finn MacCool komt aflossen, Humphrey Chimpden Earwicker, de meest ongewone gewone man uit de wereldliteratuur, na Leopold Bloom dan :-)
Maar hoe 't ook was 't is weldegelijk zeker, waar sherif Toragh voorborgt en wat Mapqiq puntuit maakt, dat de man, Hummes Kipper, Inq., aangeklampt als we dachten dat hij was, maar tocht de naam zeerwaardig, op deze tijdverkleurde plek aankwam waar wij in ons paroqiaal fermentent getijden lang hebben gewoond, met de beerbotjes gepakt in jachtige spoedboot, in de dubbel betulbande dhow, De Bey voor Dybbling, de eerste schoener die deze archipel aandeed, met een wassenwijf met wilgemotiefje aan haar spriet bij wijze van schegbeeld, en de dodezeekoe die uit zijn dieptes kwam opduikdruppelen, en heeft zich al deze sextigtien jaren sindsdien als een visvent verwijterd, zijn sjebi aan sijn sjij, adi ad adé, werd grijs onder zijn tulband en veranderde rietsuiker in sethulose stijfsel (Toetdoeds kus voor hem!) zowel alsook dat, buiken de bulkigheid waarover hij blaat als hij dublinziend gebebriëerd was, onze oude overtreder van zijn nature hootmoedig, kommunaal en insectueus was, te hoorlellen naar de bijnamen hem ondergeschoven, in taal van tangen, (honing zoet en prijs je bij!) en, om hem te totelliseren, zelfs als hummishem van hemalshem dat hij, broodserieus, hij i is en geen tegengesteld hem die uiteindertijdelijk verontwaardelijk is voor de heibbel aan de kaai van Idenburght.
Daar hebben we hem, de insectueuze Hummes Kipper Inq., HKI, (Hier Komt Iedereen), Hummes (hij, die daar, d'n dieë, Figuursma), Kipper (de schipper, de schipperaar, die omkippert en in zijn val de hele wereld meesleurt), Inq, (Incorparated Esquire, de beïnquirede Ingenieur) alias Humphrey Chimpden Earwicker, de hoofdstpersoonlijke alomtegenwoordige kastelein-oorwurm van het boek (en het stikt in Finnegans Wake van de oorwurmen en andere insecten, insecten en drank).
Hoe dit te vertalen. De meeste vertalers vertalen
eigennamen helemaal niet -- en ook de Duitse, Franse en Italiaanse Finnegans
Wake-vertalers laten de namen van personen en plaatsen staan, ongemoeid,
onvertaald. Onverstandig. Een zwaktebod. De namen zeggen bij Joyce ook
altijd wat, ook daarvan spatten de betekenisvonkjes af om in je hoofd tot
ware bosbranden uit te slaan, zonder dat je ook maar één
moment het idee hebt dat de namen gezocht zijn. Er komen 5.000 verschillende
personen in Finnegans Wake voor, heeft Adaline Glasheen uitgerekend, en
als je die namen hetzelfde laat, wat blijft er dan nog over en daarenboven
bovendien voelen wij toch heel zwaar de verantwoordelijkheid om de initialen
intact te laten: HKI: Hier Komt Iedereen, Here Comes Everybody: HCE, ons
aller voorvader:
Boggelig is zijn plet der showders op hem
behiept zo'n grafvallig pappiejong issie, met een overol gepokte mamzel
die een vliegevuur is en drie leuze nitte hommeltjes, twee twillike krekels
en een lilli peucelle.
Ziedaar de nucleaire familie HKI, krioelend,
in de rondte fladderend als insecten (letterlijk als insecten) rond de
nachtkaars van de drievoudig gepuntmutste magister elegantiae en -orum.
Earwicker heet hij en dat moeten we vooral letterlijk opvatten, als de
oorwurm die gerucht en geruchten makend ons oor komt binnenkruipen. Humphrey
Chimpden Oorwurmer? Inkruiper? Instinker? Ierwikker dan maar? Waarom een
oorwurm? Wat is eigenlijk een oorwurm? Dat moeten we tot de bodem uitzoeken.
Wij lezen in 's Captains Iglo's Lexicon onder de O: Oorwurm. De oorwurm
is een rechtvleugelig insect met bijtende monddelen en onvolkomen gedaanteverwisseling
(forficula auricularia), in de familie van de Orthoptera (rechtvleugeligen),
waartoe ook de krekel, de sprinkhaan, de kakkerlak, de wrattenbijter, de
wandelende bladeren en de wandelende takken behoren. Helemaal geen worm
dus! Oorwurmen kunnen vliegen, maar dat zien we nooit, omdat ze dat vooral
doen als iedereen slaapt. Ze gaan in de dahlia's zitten, tussen de bloemetjes
en de blaadjes en daar eten ze ook van. ‘Tuinliefhebbers proberen vreterij
te voorkomen door ze een omgekeerde bloempot, met papier en stro erin,
als verblijf te bieden.'
Aha! dat komt voor in het volgende hoofdstuk, op blz. 31, als Harold of Humphrey Earwicker ‘rinkelend met zijn slagboomsleutels tussen de geveste bajonetten van het jachtgezelschap een hoge staak meetroont waarop een voorzichtig opgelaten bloempot aardkant boven was bevestigd.'
En dan staat er bij de commentator McHugh dat omgekeerde bloempotten gebruikt werden om oorwurmen ‘te vangen'. Waarom vangen? om ze op te eten en te roosteren? Nee, om er daarna een middeltje tegen doofheid mee te maken. Men neme: een oorwurm. Waarschijnlijk dood (maar dat staat er niet bij), droge deze, verpulvere hem en vermenge dit met de urine van een haas. Voilà: doofheid genezen. Er staat niet bij wat je ermee moet doen: opdrinken, in de poortjes van je oren gieten, anaal inslikken (nou dokter ik had het net zo goed in mijn reet kunnen steken). Entomologen spreken het trouwens tegen dat oorwormen in de oren van de mens zouden kruipen. Laster! Maar er zijn toch authentieke gevallen bekend. ‘Al deze patiënten klaagden over een onweerachtig geluid in hun oor.' En Joyce was doodsbang voor onweer. Babadalgagalenzovoort!
Feit blijft dat hij (de oorwurm) instinctief wegkruipt in spleten en kieren, onder loszittende schors of in de vouwen van gordijnen. Ze zitten vaak onder stenen, afgevallen takken, rottende blaren enzovoort. Maar ook een reden dat Joyce deze naam heeft verzonnen is dat to earwig betekent: door inblazing/roddel en laster (trachten) te beïnvloeden en Finnegans Wake is één grote roddel, ten koste van die arme Humphrey Chimpden. Straks belandt hij door alle achterklap zelfs in de gevangenis.
De naam Earwicker bestaat echt. Er liggen Earwickers op het kerkhof in Sidlesham in de Hundred of Manhood, W. Sussex, zoals Joyce ons ook vertelt op p. 30. Dat is dus historisch. Want het schijnt echt zo te zijn. Maar Anthony Burgess heeft de naam nooit gevonden. Als hij ergens kwam keek hij eerst in het telefoonboek of Earwicker er in stond - en hij is zowat de hele wereld rond geweest zonder die naam ooit tegengekomen te zijn.
Hoe dit te vertalen dus - áls we het
willen vertalen, en dat willen we. Zijn er andere woorden voor oorwurm?
In Engels streekdialect heet de oorwurm ook wel twitchbell. Er moet in
Nederlandse stads-, dorps- en streekdialecten toch ook wel iets te vinden
zijn dat ons kan helpen? Daar moeten toch ook nog een boel verschillende
namen in omloop zijn. Hoewel, dat is niet zeker. Want die namen sterven
uit. De verderfelijke invloed van Linnaeus. De oorwurm. In het Russisch:
Oechavjortka. Perce oreille in het Frans. Ohrwurm of Ohrling in het Duits,
ohrwurm is een term die ook gebruikt wordt voor liedjes e.d. die je niet
uit je hoofd kan krijgen. Latijn: forficula (schaartje) auricularia. Iers:
gailseach. Noors:
saksedyr. Italiaans: forbecina. Fries: earkrüper.
We moesten naar het - onvolprezen - PJ Meertens-instituut voor dialectologie en daar vonden we enige standaardwerken van onbetwist de grootste autoriteit op het gebied van de naamgeving van de oorwurm, Marianne A.E. van Scherpenzeel, die er ook een proefschrift over heeft geschreven: De Benamingen voor de Oorwurm In Het Nederlands Taalgebied, een woordgeografisch onderzoek met kaart. Allereerst waren er de namen met een oor erin: oorbeest, oorbijter, oorknijper, oorkreukel (dat wil zeggen -krekel), het worenbeest en het horenbeest, oorloper, oorlepel, oorpak, oorpie, oorrakel (een hele leuke uit Oost-Nederland), oorrapel, oorratel, urrodel, oorruimer, oorsteker, oortiek of oreteek (West-Fries), orekruiper in het Zuid-Afrikaans en West-Fries, oorvork, oorzeerder, oorzeiker, oorzuiger, oorzuiper en oring (in Vlaams-Brabant).
Dan heb je de namen die het achterlijf verbeelden: bargetang (in het Groningse Opeinde gehoord), gaffeltand, gaffeltang, gaffeltiek en gaffelwurm (in Overijssel, Oost-Vlaanderen en Friesland en Drente), in Druten hebben ze het over de graffelman, in Gelderland de graffetand en raffeltand, in Groningen de knijper, de knijptand, in Limburg de pitstang. In België: schaar of schaarwurm, spriet of sprietel. Ook wel gewoon: tang of vorkesteker (in Friesland), in het Vlaams ook nog wel: oorbeest, sprietworm en vorke (in De Bo's Westvlaamse idioticon uit 1873) Guido Gezelle heeft in Kortrijk gehoord: ‘Er zitten orekruipers in uw schof.'
De derde, interessantste categorie zijn de
namen die niet in de eerste twee categorieën thuishoren (dat is altijd
de interessantste categorie). In de Alblasserwaard heet de oorwurm ook
wel appeldief. Elders appelvreter, bloedzuiper of bloedzuiger. In Driel
(Gelderland) heet hij dauwpier, in Harelbeke een kousebijter (waarbij de
ondervraagde ook nog kon aangeven waarom het beestje zo heette!), in Wijnjeterp
een krob, in Midsland op Terschelling en in de Zaanstreek is het een oliekruiper,
in Oost-Vlaanderen een tenebijter, teneknijper, een tenetrapper of tenezuiger
en in Odoornerveen (Drenthe) hebben ze het over een ekkelbieter. Humphrey
Kippelaar Ikkelbieter?... Dat is alleen voor Odoornerveners leuk. (De Odoornervener
editie van Finnegans Wake, als die er ooit komt.) Sommige mensen die aan
de enquête meededen herkenden het plaatje kennelijk niet en noemden
hele verkeerde namen, en zagen er een strondmig of een mieghummel in, of
een wapse (dat wil zeggen wesp) - er waren er zelfs die er een slak in
zagen, een duizendpoot en een pissebed! - maar het siert de wetenschap
en met name Marianne A.E. van Scherpenzeel dat ze deze vergissingen niet
heeft weggemoffeld, want wie is zij om te zeggen dat het echt vergissingen
waren? Misschien heten die oorwurmen daar echt wel mier of zo. Nota bene!
- Inderdaad. Zijn we er nou uit?
- Waaruit?
- Er zit geen benaming met een I tussen.
- Nee.
- Dan is dit onderzoekje voor niks geweest.
- Voorwaarts!
[EB & R-JH]
Abonnement
De nieuwsbrief van het Centrum voor de wetenschappelijke
studie van het werk van James Joyce verschijnt twee maal per jaar.
U kan zich abonneren door 180,- BEF/10,- NLG
over te schrijven op rekening nr.:
001-0998555-16 voor België
Postbank 3353816 voor Nederland
op naam van Geert Lernout
met vermelding van 040 L GER 1833 en uw naam
en deze strook ingevuld terug te sturen naar
het:
James Joyce Centrum
UIA-GER
Universiteitsplein 1
B2610 Wilrijk (Antwerpen)
België
of per fax (32-3-820 2762)
of e-mail (lernout@uia.ua.ac.be).
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Abonnement Nieuwsbrief James Joyce Centrum
Antwerpen
NAAM: ........................................................................................................................................
VOORNAAM: ..............................................................................................................................
ADRES: ......................................................................................................................................
TELEFOON: ...............................................................................................................................
FAX: ............................................................................................................................................
E-MAIL: .......................................................................................................................................