Gnantwerp Gazette



Nieuwsbrief van het

Centrum voor de wetenschappelijke studie

Van het werk van James Joyce



Het Centrum voor de wetenschappelijke studie van het werk van James Joyce aan de Universiteit van Antwerpen bestaat al meer dan tien jaar en in die tijd hebben we altijd twee belangrijke dingen voor ogen gehouden. Enerzijds bestuderen wij het werk van Joyce op een wetenschappelijk verantwoorde wijze, anderzijds trachten wij de persoon en het werk van deze Ierse schrijver beter bekend te maken in het Nederlandse taalgebied. Daarom willen we het "brede publiek" op de hoogte houden van onze activiteiten door regelmatig uitnodigingen rond te sturen voor onze congressen en andere activiteiten. Om Joyceanen in Nederland en België regelmatiger te informeren over wat er zowel hier in Antwerpen als in de wijdere Joyce-wereld gebeurt, geven we om de zes maanden een nieuwsbrief uit. In de Gnantwerp Gazette brengen we uiteraard nieuws over wat er in het Centrum allemaal gebeurt, maar we willen ook de Nederlandse en Vlaamse Joyce-fanaten op de hoogte houden van congressen, publicaties en activiteiten in Europa en de rest van de wereld. De naam van onze nieuwsbrief halen we uit een brief van James Joyce aan Harriet Weaver. In september 1926 was Joyce na een vakantie in Oostende in Antwerpen beland. In de biografie van Richard Ellmann lezen we: "He went on with his family to Antwerp, which he renamed Gnantwerp, because of the mosquitoes."



Ons adres:

James Joyce Centrum

UIA-GER

Universiteitsplein 1

B2610 Wilrijk

België

Tel: 32-3-820 27 82

Fax: 32-3-820 27 62

E-mail: lernout@uia.ua.ac.be

Op het WWW hebben wij onze eigen pagina:

http://ger-www.uia.ac.be/webger/ger/joyce/joyce0.html

Activiteiten



Gnantwerp Gazette 6



Dit is het tweede nummer van onze derde jaargang. En opnieuw hebben we heel wat te melden, ten eerste het goede nieuws dat na het eerste notebook ook het tweede en gedeeltelijk al een derde notebook (in de wandeling ook wel bekend als VI.B. 3 en VI.B.29) in manuscript klaar zijn en als de goden ons welgezind blijven, kunnen we in het volgende nummer van dit tijdschrift de eerste reeks publicaties melden. VI.B.3 is net als het eerste notebook VI.B.10 vrij vroeg en het bevat allerlei interessante notities in verband met de Ierse mythologie en geschiedenis, en een interessante allereerste versie van de Saint Kevin schets. VI.B.29 is zeven jaar jonger en dateert uit de tijd dat Finnegans Wake voor het grootste deel al geschreven was. Van Stuart Gilbert weten we dat Joyce materiaal verzamelde voor zijn hoofdstuk over HCE door een groepje mensen in te schakelen die dan de artikelen over steden in de Encyclopedia Britannica moesten voorlezen waaruit Joyce dan door nog iemand anders interessante namen liet noteren in een werkboekje. VI.B.29 is een van deze notebooks die echter heel wat meer interessant materiaal bevat, met onder meer notities uit Washington Irvings grappige geschiedenis van de stichting van New York en uit een sociologisch boek over armoede in het oude York.



De officiële voorstelling van het project tijdens het Internationale James Joyce Symposium in Londen in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de "erven Joyce" verliep bijzonder vlot en trok niet alleen de ouwe getrouwen aan maar ook een nieuw publiek van nieuwsgierige Joyceanen. Op dezelfde locatie werden ook twee panels van lezingen gewijd aan het project in verband met de Europese receptie van het werk van Joyce en ook Luca Crispi en Sam Slote's Textual Guide to Finnegans Wake werd officieel aan het publiek gepresenteerd met een hele reeks lezingen.



De "wetenschappelijke opdracht" van Geert Lernout is nu echt helemaal achter de rug. Na onderzoek aan het Harry Ransom Center van de Universiteit van Texas in Austin in oktober (met de hulp van een Mellon Fellowship van deze universiteit), aan de National Library in Dublin in december, in de Poetry / Rare Book Library van de University of New York in Buffalo in februari, in de Houghton Library in Harvard en de Beinecke Library in Yale in maart, volgden nog lezingen in de School of Advanced Studies van Londen en aan de Universiteit van Helsinki en een verblijf aan de Universiteit van Princeton en in Buffalo, waar hij lid was van de commissie die aan Luca Crispi een welverdiende Ph.D. verleende voor zijn studie van de ontwikkeling van hoofdstuk II,2 van Finnegans Wake.



Deze zelfde Luca Crispi werd samen met Mikio Fuse genomineerd als Trustee van de James Joyce Foundation waar ze hopelijk de twee "genetische" plaatsen van Geert Lernout en Daniel Ferrer kunnen invullen die dit jaar hun laatste termijn uitzitten.



Aan toekomstige projecten hebben we voorlopig geen gebrek, zoals blijkt uit de rest van dit boekje. In maart organiseren we maar liefst twee verschillende Joyce conferenties, in de wellicht ijdele hoop dat mensen die naar de ene conferentie ook de andere zullen meepikken. De onderwerpen liggen echter ver uit elkaar: enerzijds het onderzoek van de receptie van het werk van Joyce in de verschillende Europese literaturen, anderzijds nog maar eens de genetische studie van zijn werk. In het kader van dit laatste congres zullen we als alles goed loopt niet alleen de eerste exemplaren van de Notebook editie kunnen voorstellen, maar ook een geheel vernieuwde website en een aantal nieuwe projecten, zowel van dit centrum als vanuit onze zustergroepen in Buffalo en elders.



In het centrum was het deze zomer weer druk met een wisselende groep studenten. Onze oudstrijders Katrijn Serneels en Sven Peeters hebben ons verlaten en werken ondertussen allebei als journalist. Dirk Van Hulle werd aangenomen in de graad van doctorassistent en Wim Van Mierlo vervangt hem als onderzoeker. Voor het eerst kreeg het Joyce centrum ook een mandaatassistent. Wij vonden versterking in Gent: Gert Morreel gaat ons de volgende zes jaar bijstaan. Hij is een ABD (All But Dissertation) aan Columbia University waar hij een doctoraat over onder meer Joyce voorbereidt. Ook Liesbeth Van Gool zal voortaan regelmatiger bij de activiteiten van het Joyce Centrum betrokken worden. Tenslotte wensen wij u, zoals we vorige keer beloofden, een prettig derde millennium.



Geert Lernout





URL Homepage Antwerp James Joyce Center (AJJC):

http://ger-www.uia.ac.be/webger/ger/joyce/joyce0.html







Projecten



Tijdlijn en verloren voorwerpen





'Your genus its worldwide, your spacest sublime!

But, Holy Saltmartin, why can't you beat time?'

(FW 419.7-8)





Op dit moment wordt er hard gewerkt aan een uitbreiding van de homepage van het Joyce Centrum onder de titel Genetic Joyce Studies. In plaats van een nieuw tijdschrift op te starten voor tekstgenetisch onderzoek naar het werk van James Joyce, leek het nuttiger een databank voor tekstgenetisch materiaal aan te leggen. Twee projecten staan op stapel:



1. Met de TimeLine proberen we de chronologie van Joyces laatste werk zo nauwkeurig mogelijk in kaart te brengen. In zijn brieven (voornamelijk de correspondentie met Harriet Shaw Weaver, later ook de brieven van Paul Léon) vermeldt Joyce vaak terloops wat hij aan het lezen is of waar hij aan werkt. Deze twee activiteiten - de absorptie en de productie - komen ruwweg overeen met twee soorten genetisch materiaal: de notitieboeken (die bewaard worden in Buffalo) en de manuscripten (waarvan de meeste in de British Library liggen). Door de relevante passages uit de brieven te selecteren, volgens deze twee categorieën te rangschikken en ze schematisch te verbinden met de corresponderende passages in enerzijds de notitieboeken (voor zover de bronteksten ervan al gevonden zijn) en anderzijds de manuscripten, moet het mogelijk zijn deze documenten preciezer te dateren en de inleidingen van de facsimile-editie (James Joyce Archive) waar nodig bij te stellen.

Terwijl In het James Joyce Archive de notitieboeken strikt gescheiden zijn van de manuscripten, zal de TimeLine precies de relatie tussen beide benadrukken. Het James Joyce Archive vertrekt bovendien van het eindresultaat en rangschikt de manuscripten volgens hun uiteindelijke plaats in de gepubliceerde tekst; de TimeLine is een poging om de genese van Finnegans Wake in wijzerszin te volgen en in kaart te brengen. Op die manier blijkt bijvoorbeeld dat Joyce in het begin van het schrijfproces, na meer dan een jaar, nog geen duidelijk beeld had van hoe de structuur van het boek eruit zou zien. Zo bestond Boek I in 1924 uit tientallen secties, maar de indeling in acht hoofdstukken kwam pas later.





2. De Lost & Found sectie is opgevat als een soort balie voor verloren voorwerpen, woorden of langere stukken tekst die om soms mysterieuze redenen verdwenen zijn tijdens het schrijfproces. Terwijl de TimeLine zich concentreert op het tijdsaspect van het 'work in progress', hangt de Lost & Found sectie nauw samen met het ruimtelijke aspect van de manuscripten. Een van de belangrijkste redenen waarom nogal wat woorden verloren zijn gegaan, is Joyces hebbelijkheid om steeds meer tekst toe te voegen, niet alleen tussen de regels, maar ook boven- en onderaan, in de marges en zelfs op de achterkant of de tegenoverliggende pagina. Wanneer Joyce of een typist op basis hiervan een volgende versie maakte, gebeurde het maar al te vaak dat een toevoeging over het hoofd gezien werd.

Vanuit tekstgenetisch perspectief zijn deze verdwenen woorden net zo belangrijk als de woorden die uiteindelijk gepubliceerd zijn onder de titel Finnegans Wake. Maar de gepubliceerde tekst is uiteraard wel een handig referentiepunt. De gevonden voorwerpen zullen dus niet chronologisch gerangschikt worden, maar volgens hun virtuele plaats in Finnegans Wake, de plek waar ze vermoedelijk terechtgekomen zouden zijn. De tekst waarnaar verwezen wordt, is de derde Faber and Faber editie van Finnegans Wake, omdat hierin alle errata (die Joyce kort voor zijn dood samen met Paul Léon heeft genoteerd) zijn opgenomen. Deze versie is daarom de beste, gepubliceerde benadering van wat Joyce aan zijn lezers wilde presenteren.

Alles kan natuurlijk beter. Maar het is in geen geval de bedoeling een 'verbeterde' of gerestaureerde tekst van Finnegans Wake te vervaardigen. Er zijn heel wat woorden gesneuveld tijdens het schrijf-, typ- en drukproces, maar elk van deze verdwijningen is een problematisch geval, omdat het erg moeilijk, vaak zelfs onmogelijk is om na te gaan of Joyce een bepaalde weglating actief of passief geautoriseerd heeft: als de typist bijvoorbeeld een passage heeft weggelaten, kan Joyce bij het nalezen goedkeurend hebben geknikt en gezien dat het goed was; maar het kan net zo goed zijn dat hij er simpelweg overheengelezen heeft. Joyce was nu eenmaal een man van vlees en bloed, met slechte ogen. Zoals Clive Hart terecht opmerkt heeft het dus geen zin om te willen dat Joyce zijn teksten wat nauwkeuriger had nagelezen; als hij dat gedaan had, zou hij niet de schrijver geweest zijn die hij was, en zou er dus wellicht zelfs geen Finnegans Wake geweest zijn. We laten de tekst dus ongemoeid, maar richten wel een klein monument op voor de slachtoffers die gesneuveld zijn voor de goede zaak die Finnegans Wake heet.

In enkele gevallen gaat het om stukken tekst die essentieel zijn om de syntaxis van de soms ellenlange zinnen van Finnegans Wake te begrijpen. Aan sommige zinnen is kop noch staart te krijgen, niet omdat Joyce zomaar wat nonsens neerpende, maar bijvoorbeeld omdat de zetter een regel heeft weggelaten. Vooral blinde vlekken van die omvang willen we in kaart brengen. '(Hic sunt lennones!)' vermeldt Joyce op pagina 179 van Finnegans Wake. De gepubliceerde versie vertoont inderdaad meerdere blinde vlekken, die op Middeleeuwse kaarten ingevuld zouden worden met de waarschuwing 'Hic sunt leones!' - 'Hier zijn leeuwen!' of in het Engels 'Here are lions!' Onder het motto 'Here are lines!' proberen wij alvast de meest frappante blinde vlekken in te vullen.

Dit soort verdwijningen maken met name het vertalen van Finnegans Wake nodeloos moeilijker dan het al is. De Nederlandse vertalers, Robbert-Jan Henkes en Erik Bindervoet, houden daarom zoveel mogelijk van deze verdwijningen bij. Hun vertaling zal dus meer 'work in progress' bevatten dan de brontekst. We willen hen en Liesbeth Van Gool heel hartelijk danken voor de massa's verloren voorwerpen die ze verzameld hebben.



Dirk Van Hulle





Manuscripten



De manuscripten, drukproeven en eerste drukken van beroemde schrijvers zijn een belangrijk verzamelobject geworden waarvoor bibliotheken en privé-verzamelaars miljoenen veil hebben. In het geval van de Ierse schrijver James Joyce, die voor velen de belangrijkste schrijver van de twintigste eeuw is, gaat de concurrentie vooral over zeldzame eerste drukken en zogenaamde associatie-exemplaren, zoals de eerste honderd genummerde en getekende exemplaren van Ulysses.

Voor manuscripten van Joyce is er nagenoeg geen concurrentie, om de eenvoudige reden dat er geen te koop worden aangeboden. De manuscripten voor zijn belangrijkste latere werken werden allemaal nog tijdens zijn leven verkocht, zoals de netversie van Ulysses, of cadeau gedaan aan de twee vrouwen die hem op moeilijke ogenblikken hadden bijgestaan: Sylvia Beach, die in Parijs zijn roman Ulysses uitgaf toen die in Engeland en in Amerika verboden was, en Harriet Weaver die hem in 1921 genoeg geld gaf om zich de rest van zijn leven op zijn literaire werk te kunnen concentreren. Beach verkocht een deel van haar manuscripten aan verzamelaars en de rest na de oorlog aan de Poetry Collection van de Universiteit van Buffalo, Weaver gaf alle manuscripten van Finnegans Wake en een hele correspondentie over dat boek aan de British Library. De universiteitsbibliotheken die na die tijd nog minder belangrijke Joyce manuscripten konden kopen, waren ook de rijkste, Harvard en de Universiteit van Texas in Austin.

Omdat ze zo zeldzaam zijn, is de prijs voor goede manuscripten blijven stijgen, zeker omdat er ondertussen heel wat onderzoek is gebeurd waaruit bleek dat er voor Ulysses en Finnegans Wake relatief weinig ontbrekende documenten kunnen bestaan. Het feit dat nagenoeg alle bestaande manuscripten in handen zijn van universiteitsbibliotheken die ze nooit zullen verkopen, drijft de prijs natuurlijk nog eens op. Als Christie's in New York dan plots meedeelt dat op 14 december een belangrijke vroege versie van het "Circe" hoofdstuk uit Ulysses zal worden geveild, is dit groot nieuws.

In heel wat van de millenniumlijstjes werd Ulysses genoemd als het belangrijkste werk van de twintigste eeuw en de Canadese criticus Hugh Kenner heeft zelfs geschreven dat je je de literatuur van de voorbije eeuw even weinig kan voorstellen zonder Ulysses als de fysica van deze eeuw zonder de relativiteitstheorie. Het "Circe" hoofdstuk is op zijn beurt het langste en het belangrijkste hoofdstuk van dit boek. Vanaf het begin lopen de twee hoofdpersonen doorheen Dublin, ze zien elkaar vanuit de verte, horen over elkaar spreken, maar het is pas in dit hoofdstuk dat ze elkaar echt ontmoeten. Ook formeel is dit hoofdstuk een van de gemakkelijkste te herkennen. Joyce heeft ervoor gekozen om de hallucinaties in dit hoofdstuk weer te geven in de vorm van een toneelstuk.

De 27 dichtbeschreven vellen van één van de manuscripten van dit hoofdstuk werden door Joyce geschonken aan de Amerikaanse advocaat John Quinn, die de Amerikaanse uitgevers van Ulysses in een proces wegens obsceniteit had verdedigd en aan wie Joyce de net-versie van zijn roman had verkocht. Als een "curiositeit" stuurde hij Quinn ook nog deze vroegere versie van het hoofdstuk en volgens Christie's zit het nu nog steeds in de oorspronkelijke en door Joyce zelf geadresseerde envelop.

Wie dit manuscript zal kunnen kopen is nog niet duidelijk, hoewel de kans groot is dat alleen privé-verzamelaars echt zullen meebieden. Universiteiten die al over een goede Joyce verzameling beschikken, zullen alleen een rol kunnen spelen als ze één of meer rijke vrienden overtuigen om een deel van de kosten op zich te nemen. En wie over zoveel geld beschikt, zou het gewoon als een goede investering kunnen zien en het zelf kopen.

Dit is de eerste keer in een kwarteeuw dat een belangrijk manuscript van Joyce op de markt komt. Anderzijds is er door de dot.com revolutie in de Verenigde Staten zoveel "nieuw" geld in omloop, dat er op dit ogenblik heel hoge prijzen worden betaald. Het is dan ook geen verrassing dat Christie's verwacht dat ze voor die 27 vellen van "Circe" een miljoen dollar zullen krijgen.



Geert Lernout

Calls for Papers



James Joyce in Europe's Literatures



Op 26 en 27 maart organiseert het Joyce Centrum een colloquium over de invloed van James Joyce op de Europese literatuur. Dit colloquium maakt deel uit van een groter project van de School of Advanced Studies aan de University of London. Aan onderzoekers uit verscheidene Europese landen werd gevraagd om een artikel te schrijven over hun respectieve literaire tradities. Het resultaat wordt een boek van achthonderd pagina's, dat in 2002 zal verschijnen bij Athlone Press.

Tijdens het colloquium zullen enkele van de medewerkers hun werk presenteren, maar ook onderzoekers die niet meewerken aan het project, zijn hartelijk uitgenodigd om voorstellen in te dienen. Er zijn op dit ogenblik overigens nog geen bijdragen over de invloed van Joyce op de Portugese, Tsjechische en Slovaakse literatuur; de meeste ex-sovjetrepublieken zijn evenmin vertegenwoordigd, Rusland incluis.

Voorstellen van niet meer dan een pagina (met kort cv, email adres en affiliatie) kunnen tot 15 januari naar het volgende adres gestuurd worden:

James Joyce Centre

UIA-GER, Universiteitsplein 1, B2610 Wilrijk, België

Fax 32 3 820 2762; e-mail: geert.lernout@ua.ac.be of dirk.vanhulle@ua.ac.be



Genetic Joyce Studies



In diezelfde week, op 29 en 30 maart 2001, organiseert het Joyce Centrum, na 'Genitricksling Joyce' en 'Genetic Networks', een derde colloquium over tekstgenetisch onderzoek naar het werk van James Joyce. De focus ligt op de totstandkoming van Ulysses en Finnegans Wake. Voorstellen (van zo'n 500 woorden) kunnen tot 15 januari 2001 naar bovenstaand adres gestuurd worden.



18de Internationaal James Joyce Symposium: Trieste 2002



Het achttiende symposium wordt in juni 2002 georganiseerd in de stad waar in 1971 het eerste symposium plaatsvond: Triëst. Het algemene thema is de Middellandse Zee, maar ook papers over andere onderwerpen zijn welkom. Voorstellen (van 200-250 woorden) kunnen nog tot oktober 2001 naar de organisatoren van het academisch programma, D.G. Knowles (knowles.1@osu.edu) of Geert Lernout (geert.lernout@ua.ac.be), gestuurd worden.



ALP volgens LVG

HET ALP HOOFDSTUK (DEEL 1) Finnegans Wake van pagina 196.01 tot 201.04



Eerst een praktische opmerking, het is wel nodig dat je de tekst van dit hoofdstuk er naast legt, of je zou hem uit het hoofd moeten kennen, dan is dit natuurlijk overbodig. Ik volg zo nauwkeurig mogelijk de tekst, de Engels-Joyceaanse tekst natuurlijk. [Nederlandse citaten zijn van de Vertaling-in-Wording (ViW) van Robbert-Jan Henkes and Erik Bindervoet] Deze "oefening" ben ik begonnen om de FWREAD-lezers een andere kijk op de tekst te geven. D e FWREAD-lijst is een elektronische leesgroep die een pagina van de Wake leest per week, met commentaar en opmerkingen van de leden.

Dit wordt een soort vervolgverhaal: het hoofdstuk over ALP (Anna Livia Plurabelle) bekeken door de ogen van een "niet-geleerde", leke-Joyceaan, een auto-didact, een vrouw. Ik ga jullie vertellen wat ik zie en voel terwijl ik dit schitterende hoofdstuk van James Joyces Finnegans Wake lees.

Mijn verstand, mijn wezen werkt met beelden en gevoelens en niet zozeer met abstracte concepten en dat zal waarschijnlijk wel snel blijken. Het kan gebeuren dat ik in een algemene zin persoonlijk word. Het is een experiment dus zal ik wel zien hoe het verloopt.

Reacties wil ik graag vernemen, het uitlokken van discussie is één van mijn bedoelingen. Dus, vooruit met de geit, ik begin er aan…



Wat mij het eerste trof was de O, dat symbool van vrouwelijkheid en vruchtbaarheid, een mond die praat en praat, die aan iedereen iets wil vertellen en tegelijk voor alles een open oor heeft.



Als jong meisje ging ik met mijn moeder naar een industriële zelf-wasserij. Daar gingen de mensen uit de buurt hun was doen. Het was een grote zaal, lelijk geel-betegeld, onderverdeeld in kleine hokjes met muurtjes ertussen, zo ongeveer op heuphoogte. In elk hokje stond een wasmachine, heel groot, heel heet en heel lawaaierig. Dit beeld van die wasserij, met al die vrouwen met rode gezichten van de hitte en het werk, en ook rood van de woede die bij velen van hen binnenin aanwezig geweest moet zijn, wel, dat is het beeld dat Joyce bij mij oproept. De rivier is idyllischer, dat geef ik toe, maar in de grond is de situatie dezelfde, twee vrouwen (een oudere en een jongere) doen de was, elk aan hun oever van de rivier, en al wassende zuiveren ze ook zichzelf van voorbije gebeurtenissen. Ze roddelen, ze praten over wat er met Anna Livia gebeurde. En door dat gebabbel praten ze ook over zichzelf, over hun mannen, en over hoe je, als je hun kleren wast, altijd kunt zien wat ze allemaal uitgespookt hebben. Het compromitterende haar hier en daar, het vreemde parfum, een betaalstrookje van een restaurant, ja jullie mannen onder mijn lezers, wees gewaarschuwd, er bestaan geen geheimen voor de wasvrouw.



Het stukje dat mij het meest raakte, is het volgende: "M'n hand runneweren en m'n honger zitten noden om zijn vuile was uiter waard te hangen". Ik lees hier over de vrouwen die alles weten over 'de vlekken die op de juiste plaatsen zitten om echt verkeerd te zijn', de vrouwen die hard moeten werken om te zorgen voor het gezin van de mannen die 'het' buitenshuis doen. De oudere vrouw kent haar klantje goed en met een stroom platitudes probeert ze de escapades van onze held (HKI oftewel Hier Komt Iedereen) meer verteerbaar te maken. Ze is er zeker van dat hij op het eind toch wel krijgt wat hij verdient. "Wie water wast zal stroomloop oogsten."



De oudste wasvrouw gaat verder met haar beschrijving van HKI, ze vind hem maar niks. Zien jullie hem rondlopen, ijdel als een pauw: neus in de lucht, zijn trots als een bult op zijn rug, pratend in een mengelmoes van dialecten. Hij spreekt geaffecteerd, blaaskaakt, stottert en snoeft. Iedereen kent hem, het gerecht, de kerk, de politie en de mensen. Wie is hij, vraagt de jonge wasvrouw. Iedereen kan zich wel een beetje in hem herkennen. Ze blijft maar vragen stellen. Waren ze getrouwd? Voor de wet en alles, of hokten ze maar samen? De oudere vrouw parodieert de huwelijksgeloften op een schitterende manier: "Hierbij weenderik u tot mijn woerd. En bij mijn ganzeblik wink ik U." Joyce gebruikt hier het kinderspelletje 'Ducks and Drakes' en maakt tegelijk een grapje over Nora Barnacle (een barnackle is een gans). Nora moet haar Jim dikwijls gevraagd hebben waarom hij niet met haar trouwde. Tenminste als ik Nora was, en in het buitenland moest leven met twee kinderen en zo'n man, ja ik zou dikwijls aan zijn kop gezeurd hebben.



Genoeg, een andere vraag! De jongere vrouw gelooft alles wat 'ze vertellen'. Wat ze zegt, is het tegenovergestelde van wat ze denkt dat de waarheid is: Ik heb gehoord dat hij goed geld verdiende toen hij haar naar zijn huis bracht, ze leefde in een gouden kooi. De andere vrouw onderbreekt deze lofzang maar de jongere wil daar niks van weten en gaat verder over het huis, de meubels, geld en van dat alles zo veel als ze maar wou.



Hoewel ik nog niks weet over Anna Livia, kan ik toch niet zeggen dat ik jaloers ben op haar 'vangst'. Het geeft een raar gevoel om de woorden te zien zoals ze op het blad in mijn boek staan en tegelijkertijd de betekenis om te draaien, want dat moet je wel doen als je wil begrijpen wat de kleine zegt over HKI en zijn 'huwelijk'. Ik hoop voor haar dat ze later als ze zelf gaat trouwen een beetje realistischer is. De andere vrouw kan het niet meer aanhoren en vraagt: wie heeft je dat sprookje wijsgemaakt? Een blaaskaak was hij. Anna Livia had nog geeneens een trouwring. Hij lokte haar in een zielig huwelijk. Twee koters (croakers: een paar centen en kinderen) dat was al wat hij haar te bieden had, de windbuil. Maar toch met haar hulp begon hij de zaak, het huis, en het café. En waar was hij ondertussen? Het kleine beetje geld dat ze hadden, dat gaf hij allemaal uit. En zij zat thuis terwijl hij vrolijk verder deed zoals vroeger.



Ik heb zo het gevoel dat ALP helemaal niet lelijk was, de oudere vrouw bekijkt haar te negatief en de jongere bewondert Anna Livia te veel. Iedereen was verbaasd dat HKI haar had kunnen krijgen "zagen ze hem dus schielijk haar scheba ramsgeul opschieten." Daar werd veel over gepraat. Dat HKI hard werkte voor zijn "droogelijks broad" dat geloof ik niet; hij lijkt me meer iemand die haar voor hem laat werken. Na de opmerking over 'zijn' dagelijks brood staat er 'kijk naar hier' met natuurlijk de bijklank van: kijk naar 'haar'.



Weer een sneer van de oudere wasvrouw: ALP zou even erg zijn als hij, hoor ik daar jaloezie doorklinken, de jongere vrouw gelooft daar niks van en zegt "O, vertel me alles wat ik horen wil." De vrouwen staan elk aan hun oever van de Liffey, en ik heb me altijd afgevraagd waarom. Het is niet bepaald de meest uitgelezen plaats om roddels uit te wisselen, fluisteren kan al helemaal niet. Twee oevers, twee standpunten daar kan ik inkomen, links en rechts zoals in 197.01: "De linke rechter sprak overberugd de kromme meid recht". Jammer dat we niet weten welke vrouw aan welke oever staat. Kan interessant zijn.



Maar verder met het verhaal. Ofwel was onze Alp de madame van een hoerenkot, ofwel ontving HKI de meisjes die zij voor hem zocht ("Weet jij dat ze van overal backvissen op tij terugmaande,…, om bij hem in te gaan") en zat Anna alleen. Ik ben niet helemaal zeker, maar als ALP een slachtoffer zou zijn, zou de oudere wasvrouw niet zo haatdragend over haar spreken.



Maar ALP liet niet blijken hoe slecht ze het wel had, de schulden, het armeluizenleven, ze deed of het haar niks kon schelen. De jongste wasvrouw protesteert tegen de moeilijke woorden van de ander: "Spreek je maaswaal. Zeg gewoon water opstaat." De vrouw krijgt hier wel genoeg van en vraagt of ze niet naar school is geweest "jij ongelikkerde", waarmee ze bedoelt: leef jij met je ogen dicht, je weet verdomd goed waar ik het over heb. Heb je haar niet gezien, in haar schommelstoel, met een muziekje, kruiswoordraadselend terwijl ze op klanten wacht.



Ik werk in de Antwerpse binnenstad en kom twee keer per dag door de hoerenbuurt en die beschrijving klopt, ze zitten daar, de mooiste, jongste meisjes, wit, zwart en alles daartussen in, op een barkruk, in een schommelstoel. Ze herkennen me nu al en zeggen goeiedag als ik passeer; sommigen zijn zo jong dat het me moeite kost niet binnen te gaan en ze mee naar huis te nemen, allemaal. Maar daar gaat het hier niet over.



De zaken gingen slecht, van 's ochtends tot 's avonds piekerde HKI over zijn lot en zijn begrafenis terwijl hij de overlijdensberichten in de krant las, nee vrolijk is hij niet. hij is toch zo slecht behandeld door de wereld en al die navelstaarderij helpt ook niet echt, is het wel allemaal de moeite waard en ga zo maar door. Je zou toch denken dat hij er aan gewend zou zijn, het was nu al zo lang zo…



Hoe is het met Anna Livia gesteld? Bang om te gaan slapen, heen en weer lopend als een onrustig kind; ze zou de thuiskomst van "haar duero labber Daan" eens moeten missen. Ze moet en zal hem zien als hij thuiskomt van zijn 'meisjes' met geld en wat nog misschien? Het zinnetje "Met nieuwe oogsterschilde en sauld van seime moyeslijk" verwonderde me eerst. Zij verwacht hem toch niet thuis met de boodschappen voor 't avondeten: aardappelen, zout enzo. Nee ontbijt lijkt me hier meer op zijn plaats. En hier gaan we weer. Hoeveel vrouwen wachten er niet op hun mannen die tegen de ochtend van godweetwaar naar huis komen? En wat doen ze dan, ze maken allerlei lekkers klaar, en waarom? Opdat 'hij' toch maar naar huis zou 'blijven' komen. Meestal verloren moeite.



Anna Livia maakt "kroosrijke viskes" klaar, en legt aan zijn voeten haar "modderse eiers", "Kaffue mokau", het houdt niet op. Maar zoals haar moeder haar waarschijnlijk al leerde, de liefde van een man gaat door ja, je hebt hem zijn maag (denkt zij…). Doodop is ze ervan, haar aderspat klopt, haar knieën knikken van moeheid en angst, en jawel, het eten staat nog niet op tafel of hij duwt het al weg met een paar goedgekozen krenkende woorden die geen twijfel laten hoe hij over haar denkt. En alsof dat nog niet genoeg is mag ze nog blij zijn dat hij "de bornen niet op haar themen liet vaalen". Nog geeft ze het niet op, ze zingt liedjes voor hem, zielige vertoning moet dat geweest zijn, ze zou er beter het zwijgen toe doen. De jongere vrouw kan het niet geloven, maar "'t is ongelogen" de ridder op het witte paard waar het meisje van droomt bestaat niet en Anna Livia is geen prinses. "O dat gebaasal".



Al haar kunstjes mogen niet baten , ALP kan geen goed doen. Kreeg ze toch wat klappen of zijn "die purpieren paarsages" een verwijzing naar de manier waarop mensen hun roddels en verhaaltjes verfraaien? Ik zie haar zo voor me, kleren in schreeuwerige kleuren, nogal vulgair en goedkoop, de poeder op haar neus streperig van het huilen en de moeite.



Terwijl ik dit schrijf, merk ik dat ik het toch opneem voor haar ondanks de zwartmakerij van de oudere wasvrouw. Ik probeer haar beter te doen overkomen, teken haar meer als een slachtoffer en tot hiertoe denk ik dat ik gelijk heb.



Haar liedjeskunst was geen groot succes, dus probeert ze maar weer eens iets anders. Als hij haar niet wil, misschien zou een jonger meisje hem beter bevallen? Is het een wiegeliedje dat ze hier zingt "Lullebabbel, krissebisje! hallo, snoeysje, sterftochnie!" Het is twijfelachtig of ALP te bezitterig is, of HKI zijn 'vrouw' verwaarloost. Wie dwingt er wie tot wat? Dwingt hij haar tot prostitutie? Ik ben er niet zeker van. Er zijn veel verwijzingen naar doofheid. Is hij doof of zij? Goed in het lezen van lichaamstaal is ze zeker niet, onze Anna, terwijl hij koppig beslist haar niet te begrijpen. Haar laatste uitweg is hem te interesseren in de meisjes die haar deur voorbij lopen, voor zijn gebruik of om zijn zaakje te 'bevrouwen', nee niet duidelijk allemaal.



Anna Livia staat in de deuropening op haar sokken met een pijp in de mond en overtuigt de "stortemelkmeid of bedeeschde bormidochter…om bij de uitvulspoort naar binnen te glippen". Lokt zij de meisjes met geld of moeten zij juist geld voor haar verdienen? Lesjes in "hoe ze hun onderdanen moesten heupwiegen" zijn voor deze jongedames nodig voor ze weten hoe ze "de helleh weg eener maagd bij een man" kunnen vinden.



De jonge wasvrouw kan het allemaal niet geloven, dat Anna Livia deze meisjes op hem afstuurt, ook ik ben meer en meer in de war, het verwisselen van de rollen, het ongeloof, wat gebeurt er allemaal? Is ze dan toch niet alleen maar wanhopig….



Anna Livia verzint een verhaaltje, een liedje, een "sorgeulijk leedeken". De jongste wil "Anna's vrouwbeklag" horen en vraagt de andere wasvrouw het haar te verhalen terwijl zij het vuile ondergoed van een andere schrijver wast. Ze vergaat van nieuwsgierigheid. Wel vooruit zegt de oudere, ik zal het je vertellen, "Luister nu. Luister je wel?"



Liesbeth Van Gool



'the lion in our teargarten' (FW 75.01), linografie van Liesbeth Van Gool





Curiosa



Lawrence Douglas en Alexander George melden in alle ernst de resultaten van een psychofarmacologisch onderzoek naar enkele van de grootste werken uit de wereldliteratuur. Hun uitgangspunt is dat een tijdige diagnose en aangepaste therapie heel wat tragedies en ander leed uit de Westerse literatuur hadden kunnen besparen. Naast de gebroeders Karamazov, Hamlet, Romeo en Juliet vermelden ze onder meer Molly Bloom. Haar opgewonden, incoherente woordenvloed vertoont alle symptomen van piblokto, een cultuurgebonden syndroom dat zich voornamelijk, maar blijkbaar niet uitsluitend bij arctische en subarctische eskimogemeenschappen voordoet. Het geval van Molly Bloom zou een combinatie zijn van dit syndroom met wat in vaktermen omschreven wordt als Hypoactive Sexual Desire Disorder (zie ook Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders van de American Psychiatric Association, vierde editie, 302.71). Door middel van een simpele behandeling met Prozac en intensieve relatietherapie - en dus ook enige medewerking van Leopold Bloom - had de monoloog op het einde van Ulysses makkelijk vermeden kunnen worden.



(Bron: The New York Times Book Review. Lawrence Douglas en Alexander George zijn beiden verbonden aan Amherst College en werken aan een boek over "Freud's Phonographic Memory and Other Literary Inventions".)

James Joyce: een abecedarium



Er zijn weinig schrijvers die de onuitputtelijke mogelijkheden van het alfabet zo grondig verkend hebben als James Joyce. Het lijkt dan ook gepast om deze korte kennismaking aan de dwingende willekeur van datzelfde alfabet toe te vertrouwen.



Anna Livia Plurabelle. Het vrouwelijk hoofdpersonage uit Finnegans Wake. Anna Livia is tegelijk alle vrouwen en alle rivieren, maar bovenal de rivier Liffey, die door Dublin vloeit. Zoals alles en iedereen in Finnegans Wake ondergaat "Anna the Allmaziful, the Everliving, the Bringer of Plurabilities" talloze metamorfosen. Het hoofdstuk van Finnegans Wake waarin Anna Livia bezongen wordt, is een van de mooiste dingen die Joyce ooit geschreven heeft. Er bestaat een betoverend mooie opname van in Joyces ijle, zangerige stem, naast een kort stukje uit Ulysses het enige dat hij ooit op band liet zetten.



Bloomsday. Ulysses speelt zich af tijdens één dag in het leven van Leopold Bloom: 16 juni 1904 (zie: Nora Barnacle). Ter ere van de vijftigste verjaardag van Blooms Odyssee werd op 16 juni 1954 in Dublin de eerste Bloomsday georganiseerd door vijf enthousiastelingen. De literaire wandeling, die hen langs alle locaties van Ulysses had moeten voeren, eindigde voortijdig in een pub. Sindsdien vieren Joyceanen over de hele wereld ieder jaar Bloomsday op 16 juni, meestal in de vorm van grotendeels nuchtere marathonvoorlezingen van Ulysses.



Censuur. Ulysses zorgde toen het verscheen in 1922 vrijwel meteen voor schandalen in Ierland en ver daarbuiten: overal gingen stemmen op om het op de index van verboden boeken te zetten. In de Verenigde Staten mocht het "obscene" boek niet ingevoerd worden (zie: Realisme): een paar honderd exemplaren werden in beslag genomen en verbrand. Vrienden van Joyce zorgden ervoor dat het via Canada toch bij Amerikaanse lezers terechtkwam. In 1933 trok een nieuwe rechter het verbod in, omdat het boek misschien wel sterke emotionele reacties losweekt, maar "nergens naar een aphrodisiacum neigt."



Dublin. James Joyce werd in 1882 geboren in Dublin, de stad waarmee hij zijn hele leven een haat-liefde verhouding zou hebben. Het eerste belangrijke werk dat Joyce publiceerde was een prachtige verhalenbundel die hij Dubliners (1914) noemde, "om de ziel te verraden van die Hemiplegie of Verlamming die velen als een stad beschouwen." Maar uit Ulysses en Finnegans Wake blijkt ook duidelijk de liefde van Joyce voor de stad die hij als geen ander kende, ook al had hij haar in 1904 vrijwel voorgoed verlaten. Toen iemand hem vroeg waarom hij niet 'internationaler' schreef, in plaats van zich telkens weer op een provinciestad te concentreren, antwoordde Joyce: "Ik schrijf altijd over Dublin, want als ik dichtbij het hart van Dublin kan komen, dan raak ik het hart van alle steden in de wereld. In het particuliere zit het universele vervat."



Edities. Afgezien van de bijbel is er waarschijnlijk geen enkel boek dat zoveel hoogoplopende discussies over de juiste editie uitlokt(e) als Ulysses. Dat is niet verwonderlijk: Joyce liet zijn manuscripten vaak overtikken door mensen wier Engels niet al te best was en de eerste editie werd in 1922 in Parijs gezet door Franse drukkers. Er slopen bijgevolg nogal wat fouten in. In 1984 bracht de Duitser Hans Walter Gabler een verbeterde tekst uit, die nu de toonaangevende editie is, hoewel er nog steeds controverse over bestaat. De meest geridiculiseerde uitgave is die van Danis Rose, die in 1997 een pedante - 'verbeterde' en vereenvoudigde - "Reader's Edition" publiceerde. Zo werd de beroemde monoloog van Molly Bloom bijvoorbeeld uitgebreid van interpunctie voorzien en de "snotgreen and scrotumtightening sea" werd "snot-green and scrotum-tightening," om het allemaal wat 'toegankelijker' te maken.



Finnegans Wake. Kwatongen beweren dat Joyces laatste boek, Finnegans Wake (1939), waaraan hij 16 jaar werkte, volstrekt onleesbaar is. Dat is helemaal niet waar: het kost alleen bloed, zweet en tranen. Die worden echter ruimschoots vergoed door de onuitputtelijke rijkdom van hét encyclopedische boek bij uitstek. Joyce noemde zijn titanenwerk een "universele geschiedenis" en ontwikkelde een complex netwerk van meertalige woordspelingen om er zoveel mogelijk culturele en historische materie in te verwerken. Er zijn halve en hele woorden uit meer dan 60 talen en dialecten, waaronder het Nederlands, in teruggevonden.



Gotham Book Mart. Boekhandel in New York waar in 1947 de James Joyce Society opgericht werd, omdat er zoveel klanten meer wilden weten over die obscure Ierse schrijver. De Society organiseert nog steeds lezingen en Joyce-soirees allerhande. Ondertussen zijn er een hele resem andere Joyce-organisaties ontstaan over de hele wereld. Een van de mooiste aspecten van het werk van Joyce is dat het geestdriftig bestudeerd wordt door zowel academici als amateurs in de ware zin van het woord: hartstochtelijke liefhebbers.

Homeros. Toen hij aan zijn bekendste werk begon, nam Joyce zich voor om van Ulysses een moderne Odyssee te maken, met Leopold Bloom als Odysseus, Stephen Dedalus als Telemachus en Molly Bloom als Penelope. Het was hem echter niet louter om pastiche of imitatie te doen en naarmate het werk vorderde en de roman steeds complexer en gelaagder werd, verdween Homeros steeds meer op de achtergrond. Niettemin schepte Joyce er een duivels plezier in om zijn lezers en critici allerlei 'aanwijzingen' en schema's mee te geven om de jacht naar de diepere intertekstuele gronden van Ulysses aan te zwengelen.



Ibsen. De allereerste publicatie van Joyce (in 1900) was een recensie van een toneelstuk van Henrik Ibsen, waarin hij pleitte voor drama als het belangrijkste genre. Er was geen Engelse vertaling van het stuk, dus las hij het in het Frans. Later leerde hij Noors om Ibsen in de oorspronkelijke taal te kunnen lezen, wat hem nog van pas zou komen voor Finnegans Wake.



Joyceanen. Eén doorslaggevend argument voor Joyce als de grootste schrijver van de twintigste eeuw is alvast dat hij veruit de interessantste en meest toegewijde lezers heeft. Joyceanen zijn doorgaans onverbeterlijke polyglotten en encyclopedisten met een gezond gevoel voor humor. Ze komen overal ter wereld samen in leesgroepen, chatrooms en internet-discussiepanels om hun bevindingen over het derde woord in de zeventiende regel van bladzijde 128 in Finnegans Wake met elkaar te delen. Er is ook een gigantische academische industrie rond Joyce ontstaaan: er worden meer boeken en artikels over Joyce geschreven dan over welke andere auteur ook.



Katholicisme. Joyce liep zowel in het middelbaar onderwijs als aan de universiteit school bij de Jezuïeten en was dus doordrongen van de katholiek leer, waartegen hij zich zijn hele leven zou afzetten. Katholiek Ierland spuugde hem uit als een van haar meest verdorven zonen. Dat neemt natuurlijk niet weg dat het katholicisme overal in zijn werk te vinden is: Umberto Eco vindt zelfs dat de encyclopedische geest van zijn oeuvre voor een groot stuk teruggaat op de invloed van Augustinus en Thomas Van Aquino. Joyce zou overigens zijn hele leven de Jezuïeten dankbaar blijven voor de intellectuele discipline en het analytisch vermogen dat ze hem bijgebracht hadden.



Leopold Bloom. De held van Ulysses. Bloom is Iers, Joods, een pragmaticus, trots op zijn dochter, mist zijn gestorven zoontje, houdt ontzettend van gebakken niertjes en zal altijd terugkeren naar Molly. Hij heeft een (niet zelden foute) theorie over alles en is misschien wel het sympathiekste romanpersonage aller tijden.



Molly Bloom. De heldin van Ulysses. Molly is geboren in Gibraltar, treedt op als zangeres, pleegt overspel met haar impressario, heeft een groot hart, blijft de hele dag in bed liggen en houdt, alles bij elkaar, heel veel van haar "Poldy". Ze sluit Ulysses af met een wonderlijke woordenstroom, waarschijnlijk de langste en zeker de mooiste monoloog uit de literatuurgeschiedenis (zie: Yes).



Nora Barnacle. Op 10 juni 1904 ontmoette Joyce een fascinerend roodharig meisje, met wie hij op 16 juni (Bloomsday) een eerste afspraak zou hebben. Nora Barnacle was een onconventionele, sexueel ongeremde vrouw en de enige persoon die Joyce aanvaardde zoals hij was. Nora was zijn rots van Gibraltar. Het valt te betwijfelen of hij zonder alles wat hij van haar leerde zo'n complex vrouwelijk personage als Molly Bloom had kunnen creëren.



Ogen. Joyce heeft zijn hele leven ontzettend gesukkeld met zijn ogen. In 1917 onderging hij een eerste operatie en er zouden er nog minstens acht volgen, tot hij nauwelijks nog iets zag aan het eind van zijn leven. Zijn allerlaatste notities maakte hij met een enorm rood potlood op grote vellen papier. Dat heeft belangrijke gevolgen gehad voor de editie van Finnegans Wake. Joyce kon uiteindelijk zijn eigen notities niet meer lezen en moest mensen inschakelen die de Engelse taal niet altijd even machtig waren, laat staan de complexe meertalige woordspelingen in Finnegans Wake, die hij soms zelfs dicteerde (!). Het is nog steeds wachten op de dappere zielen die het ooit in hun hoofd zullen halen om een verbeterde editie van Finnegans Wake uit te geven.



Parnell. In Ulysses noemt Stephen Dedalus geschiedenis een nachtmerrie waaruit hij probeert te ontwaken. De vaakst terugkerende nachtmerrie uit de Ierse geschiedenis in het werk van Joyce is de val van Charles Stewart Parnell. Parnell was de leider van de home rule partij, die op een geweldloze manier voor Ierse onafhankelijkheid streed. Kort nadat Parnell een belangrijke overwinning behaalde in het Britse parlement, raakte bekend dat hij een affaire had gehad met een getrouwde vrouw, Kitty O'Shea. Het katholieke Ierland pikte dat niet en met Parnells carrière werd ook de hoop op home rule gekelderd. Het verraad spookt door het hele oeuvre van Joyce: toen hij pas negen (!) was schreef hij al een verdediging van Parnell en in Finnegans Wake is de betreurde "dode koning" hét archetype van de gevallen held.



Quarks. Er zijn fanatieke Finnegans Wake-lezers die beweren dat het laatste meesterwerk van Joyce niet alleen de hele wereldgeschiedenis bevat, maar ook voorspellingen van toekomstige gebeurtenissen en uitvindingen. Sommigen gaan nogal ver om dat te bewijzen: In 1964 ontdekte de fysicus Murray Gell-Mann dat alle elementen van de materie herleid konden worden tot combinaties van drie fundamentele deeltjes, die hij quarks noemde, naar "three quarks for Muster Mark" uit Finnegans Wake. Het is dus duidelijk dat Joyce werkelijk alles voorzien had, tot en met de elementaire bouwstenen van het universum.



Realisme. Ondanks (of juist dankzij) de steeds verder doorgedreven literaire experimenten in zijn werk, bleef Joyce misschien wel in de eerste plaats een hyperrealist. Zo had hij een bijzonder scherp oor voor taal en luisterde hij altijd heel aandachtig naar hoe mensen werkelijk praatten. Bovendien gaf hij heel wat taboe-onderwerpen voor het eerst een plaats in de moderne literatuur: Leopold Bloom mijmert over zijn darmflora terwijl hij op de pot zit en Molly wijdt ongegeneerd uit over haar menstruatie. Zowat alle lichaamsdelen en -functies passeren de revue in het oeuvre van Joyce, wat bij sommige officiële instanties wel eens in het verkeerde keelgat schoot (zie: censuur). Joyces nauwgezetheid blijkt ook uit hoe hij met zijn geboortestad omging. Hij stuurde regelmatig hele vragenlijsten naar familie en kennissen in Dublin met het verzoek om allerlei details voor hem te controleren en maakte zich sterk dat, als Dublin ooit met de grond gelijk gemaakt werd, men de stad helemaal zou kunnen heropbouwen aan de hand van Ulysses.



Stephen Dedalus. Hoofdpersonage uit A Portrait of the Artist as a Young Man (1916), de semi-autobiografische roman waarmee Joyce voor het eerst echt doorbrak in de literaire wereld. Portrait tekent de evolutie van Stephen, van het verlies van zijn geloof tot het ontdekken van zijn nieuwe roeping als hogepriester van de kunst, in het voetspoor van zijn Griekse naamgenoot, de superieure maker Daedalos. Aan het einde van de roman vertrekt hij naar Parijs om "in de smidse van mijn ziel het ongeschapen geweten van mijn ras te smeden." In Ulysses (1922) is Stephen ondertussen terug uit Parijs en blijkt het smeden niet al te best te willen lukken. Joyce neemt steeds meer ironische afstand van zijn jonge alter ego en Ulysses is dan ook in de eerste plaats het boek van Bloom.



Tenor. Joyce hield heel veel van muziek en had zelf naar verluid een prachtige tenorstem. Hij twijfelde zelfs een tijdje tussen een carrière als zanger of als schrijver. Joyce had dan ook een feilloos gehoor voor de muzikaliteit van de taal. Ulysses en Finnegans Wake zijn bovendien doorspekt met verwijzingen naar populaire Ierse liedjes, opera's, componisten en musicologische terminologie en het "Sirens" hoofdstuk in Ulysses is helemaal opgebouwd volgens muzikale principes. Toen in 1993 in Ierland een briefje van tien pond met zijn beeltenis uitgegeven werd, ontstond al gauw het grapje dat Joyce "had finally made it as a tenner."



Ulysses. Nog steeds het bekendste werk van Joyce en de roman waarmee hij een centrale plaats opeiste in de modernistische traditie. Ulysses werd in 1922 in Parijs gepubliceerd door Shakespeare & Co, op de verjaardag van Joyce. In 1998 werd Ulysses door de Modern Library of America tot de beste roman van de twintigste eeuw uitgeroepen.



Vico. Finegans Wake begint in het midden van een zin: "riverrun, past Eve and Adam's, from swerve of shore to bend of bay, brings us by a commodius vicus of recirculation back to Howth Castle and Environs." In die zin zit de naam van Giambattista Vico verwerkt, een 18e eeuwse historicus aan wie Joyce een cyclische theorie van de geschiedenis ("vicus of recirculation") ontleende. Finnegans Wake is dan ook een gigantische recyclagefabriek van een aantal archetypische verhalen die steeds onder een andere vorm terugkeren. Het boek 'eindigt' trouwens met de eerste helft van zijn eerste zin: het bijt dus in zijn eigen staart en begint telkens weer van voren af aan.



WWW. Het werk van Joyce is op zich al een wereldwijd web, maar wie zich even een beeld wil vormen van de overweldigende rijkdom aan ideëen, obsessies en academische onderzoeksgebieden die het voortgebracht heeft, moet zeker eens naar de James Joyce Portal op het internet surfen. Van daaruit leiden alle wegen naar Joyce.



eXiles. Titel van het enige toneelstuk dat Joyce schreef, over dubbel overspel, ballingschap en vriendschap. Het werd gepubliceerd in 1918 maar werd (en wordt) zelden opgevoerd. Joyce was natuurlijk zelf een vrijwillige banneling (exile).



Yes. Het beroemde laatste woord van Ulysses. Aan het eind van een lange monoloog denkt Molly terug aan het moment waarop ze zich met haar hele wezen aan Leopold gaf. De apotheose is zondermeer de mooiste liefdesverklaring uit de hele wereldliteratuur: "first I put my arms around him yes and drew him down to me so he could feel my breasts all perfume yes and his heart was going like mad and yes I said yes I will Yes."



Zürich. In 1915 vluchtten de Joyces van Triëst, waar hun kinderen Giorgio en Lucia geboren werden, naar Zürich. Joyce zou het grootste deel van Ulysses schrijven in de neutrale stad. Finnegans Wake schreef hij volledig in Parijs, waar ze in 1920 naartoe verhuisden op aanraden van Ezra Pound. In 1940 gingen de Joyces opnieuw op de vlucht naar Zürich, dit keer voor de Tweede Wereldoorlog. Joyce zou de stad nooit meer verlaten: hij stierf er op 13 januari 1941 aan de gevolgen van een maagzweer.



Gert Morreel



het symposium

Joyce 2000. In het kikkerkoor der Joyceanen



Eens in de twee jaar wordt er een supranationaal megacongres georganiseerd door de International James Joyce Foundation, gevestigd in Columbus, Ohio. Dit jaar zou het congres plaatshebben in de huidige diocese van monseigneur Gijssen (Reykjavik, IJsland), maar om redenen van financiële aard (de vliegtickets zouden te duur worden voor de Noordamerikaanse, Uruguayaanse en Japanse deelnemers) is uiteindelijk gekozen voor het Goldsmith College in het enigszins nondescripte zuidoosten van de hoofdstad van het imperium waar de zon nooit opgaat (smog), Londen. Londen! Een week lang Londen. Met 54 Chinezen in onze koeltas togen we naar Londen. Ons eerste congres! Een week lang Joyce vanuit alle invalshoeken en gaten en academische perspectieven. Organisatrice Lucia Boldrini had 'ongeveer' 220 lezingen op het programma staan, de fun stuff op het social programme niet meegerekend. En alles onder het vreemde vaandel The Right to Write. Daarover hebben we niemand horen spreken en hoe kan het ook anders. Recht om te schrijven heb je altijd, alleen het recht om te publiceren wordt nogal eens met voeten getreden. Een van de sponsors was Amnesty International, misschien hebben we daaraan deze idealistische vlag te danken. Het aanbod was zo groot dat we helaas niet alles hebben kunnen volgen, zelfs met z'n tweeën niet. Zo hebben we moeten missen de lezing van Hsing-Chun Chou van de Universiteit van Glasgow, De Transgressie van Geslachtsgrenzen en de Constructie van het Architectonische Zelf: Bloom in "Nausikaä". We hadden ook geen tijd voor Paul Gleeson van de Universiteit van Texas en zijn ongetwijfeld boeiende, zo niet meeslepende, misschien zelfs baanbrekende of verfrissende ('een verfrissende kijk met verrassend nieuwe inzichten'): De Schrijver en de Metafysische Behoefte in Joyces Een Portret van de Kunstenaar als Jongeman en Don DeLillo's Mao II. En op de een of andere manier konden we ook geen tijd vinden voor Joyce in de hedendaagse Hongaarse literatuur, Joyce en het Baskisch nationalisme, Joyce en de Pornografie en Van Nee tot Ja Ja Ja: Stephen Dedalus' Bewegen in de Richting van (Proto-) Post-Structuralistische Affirmatie. En dat is niet het enige wat we voorbij hebben moeten laten gaan aan onze neus. (We zijn indertijd niet voor niets gekgillend weggelopen van onze eigen alma mater, de Universiteit van Amsterdam.) Van het sociale programma hebben we gepast voor de première van Nora, de Movie, gebaseerd op Brenda Maddox' biografie van mevrouw Joyce. Naar verluidt (want we hadden wel onze informanten) was slechts één van de hoogtepunten van de film de gekwelde aanstaande grote schrijver die tegen een would be-amant van Nora uitroept: 'You fucked my wife!' Wij wachten wel op de onvermijdelijke sequel, Nora II, The Return of the Son of Nora as her Daughter.

Tot zover wat we niet hebben gezien. Wij als speciale verslaggevers voor deze krant en vertalers-in-progressie van Finnegans Wake, hebben onze aandacht geconcentreerd op de stand van zaken in het Finnegans Wake-onderzoek. Er waren vier panels waar telkens iemand een hoofdstuk van de Wake besprak. Dirk Van Hulle van de Universiteit van Antwerpen legde in een glashelder betoog uit hoe het laatste hoofdstuk gegroeid was en en passant onthulde hij dat in de allerlaatste zin (de zin die zo naadloos en genoegzaam bekend overloopt in de allereerste) een woord per ongeluk was weggelaten in de loop van de vele stadia van notitie tot publicatie: 'A way a lone a lost a last a loved a long the'. Voor ons als vertalers een extra probleem in deze toch al met problemen gevulde oceaan! Gelukkig konden we ons licht opsteken bij de Finnegans Wake lunchtime close-readinggroep, waarvoor we zelfs de voorverpakte boterhammetjes cheddar-tomaat en nog iets wat niet op de verpakking stond en de flesjes Budweiser lieten staan, en maar al te graag. In vier sessies van anderhalf uur werd in totaal maar liefst anderhalve bladzijde gelezen, in het bijzijn van de knapste Wakeaanse koppen die er op twee benen op aarde rondlopen. Voor het hele boek zouden we dus 104 etmalen en zestien uren nodig hebben of met andere woorden, als we het realistisch willen houden, een kleine 1675 lunchtime-sessies van anderhalf uur en het zogenaamd onleesbare boek ligt aan je voeten! Een ander project waar we met argusogen naar uitzien en dat hier officieel werd gelanceerd was de uitgave van de zogenaamde Buffalo-notebooks van James Joyce, die tot nu toe alleen facsimile waren uitgegeven in de Garland James Joyce Archives. De nieuwe editie wordt geheel getranscribeerd en voorbeeldig geannoteerd. Joyce heeft de laatste twintig jaar van zijn leven een slordige veertienduizend kladblokblaadjes vol- of halfvolgeschreven met notities van wat hij hoorde, droomde, zag, dacht, maar vooral van wat hij las, van de Irish Times tot de The Book of Kells en van boeken over atoomfysica tot in het Frans vertaalde biografieën van Wagner. Het werd op het congres met recht een 'staggering amount of information' genoemd, die nu op het punt staat ontsloten te worden voor het grote publiek. Er komen zestig deeltjes op een formaat iets groter dan A4, twee keer per jaar een bundeltje van drie, over een periode van tien jaar en uitgegeven door Brepols in Turnhout. Over wat het ging kosten konden nog geen mededelingen worden gedaan, maar waarschijnlijk wordt het academisch geprijsd, dat wil zeggen duur, onbetaalbaar duur voor Jan Modaal (maar alles is duur voor wie het er niet voor over heeft). Je krijgt er dan ook wel iets voor terug waarin je precies kan opzoeken wat Joyce op welk moment las, welke bronnen hij gebruikte, en waar zijn aantekening terechtgekomen is in Finnegans Wake, want dat heeft een wereldwijd vertakt team van genetici, dat wil zeggen tekstwordingsgeschiedenisvorsers, inmiddels uitgezocht of is daarmee nog bezig (met dat uitzoeken). Bijvoorbeeld de eerste aantekening nadat Joyce ophield met Ulysses corrigeren in het door Peter Spielberg in 1962 als VI.B.10 gecatalogiseerde aantekenboekje, daar staat (onleesbaar voor de gemiddelde boerelul) clipper ship, met marineblauw potlood doorgestreept, wat (vaak) aangeeft dat Joyce het woord heeft gebruikt bij het schrijven van een episode, en daaronder dead horse, niet doorgestreept en toch gebruikt. Vincent Deane, een van de redacteuren van het Notebook-project heeft ontdekt dat Joyce, verwoed krantelezer (u hoeft zich nergens voor te schamen), die woorden optekende uit de Irish Times van 23 oktober 1923, uit een gemengd bericht. Terwijl in Ierland de burgeroorlog woedde en de kranten elke dag meer en gruwelijker gruwelen berichtten, schreef Joyce woorden over uit de kookrubriek en Lieve Lita. In dit geval ging het diverse feit over het oude zeemansgebruik van het 'dode paard'. Op klippers kregen matrozen een maand voorschot als ze tekenden voor de reis, maar het werd pas uitbetaald als de reis afgelopen was. De eerste dagen aan boord was de stemming dan somber, omdat de matrozen doorhadden dat ze 'dead horse' werkten, voor noppes en voor nada. Clipper ship is uiteindelijk als clipperbuilt terechtgekomen op p. 394, regel 17, en dead horse in de zinsnede 'you were promised fines times with some staggerjuice or deadhorse' op 521.12. Joyce, is inmiddels onomstotelijk vast komen te staan, tekende rare of nieuwe woorden op nog voordat ze in de Oxford English Dictionary werden opgenomen, terwijl de OED nu Joyce de eer geeft van het eerste gebruik. Misschien kan dit project deze vergissingen in de OED helpen rechtzetten, en heeft dit congres in elk geval dat opgeleverd als concreet resultaat (waar de mensen altijd naar vragen, in de zin van: Wat heb dat nou voor nut?). Ook wordt uit dit grote project duidelijk dat Joyce als koning Midas van alles goud kon maken. Zijn aantekeningen zijn nooit structureel, woordspelingen kom je niet tegen, het plezier kwam voor hem met het schrijven. Bij de voortgang van het verhaal dienden de notities als sporten op de ladder. De context waaruit hij ze haalde deed er niet meer toe, en dat kan ook moeilijk als je na zeventien jaar nog oude aantekeningen gaat gebruiken. Het zijn uitsteeksels die hij aanbracht op de steile wand om aan de top te komen.

Een groot verschil tussen de Ulysseanen en de Wakies bleek dat de eersten zelden of nooit naar elkaar verwezen, elkaars lezingen bij voorkeur niet bijwoonden en ieder hun eigen broedplek in het wetenschappelijke kippenhok, hun eigen welomschreven en met een lage stenen muur afgebakende academische niche, met klauw en snavel, hun hele gallinische genenpakket leken te willen verdedigen, terwijl de Wakeanen wel enthousiast samenwerkten en verderwerkten met elkaars bevindingen. Er zijn boekenkasten, hele bibliotheken ter grootte van voetbalvelden zo groot als de provincie Utrecht over volgeschreven, en er komt alleen maar meer bij en er gaat niks af. Joyce wilde de geleerden honderd jaar werk verschaffen met Ulysses alleen al. Het ziet ernaaruit dat we er gerust een aantal jaren bij kunnen optellen, en dat het niet alleen de geleerden zijn die er werk aan hebben. Dit congres trok meer rare kostgangers dan alleen academici of twee vertalers die weer niet zijn opgeschoten. De Belgische pater Jan Schoonbroodt, die er vanaf het begin bij is (1967), wapperde in zijn soutane van de ene lezing naar het andere panel. De gevolmachtigde van Stephen Joyce Sean Sweeney schaterde luid om elk citaat uit Finnegans Wake, waarna hij in zijn notitieboekje meteen opschreef hoe lang het citaat duurde en welke vergoeding ervoor stond. Ron, Joyce-liefhebber uit Holland, dook enige tijd onder in de Londense gayscene en miste zo nog meer van het programma dan wij. Biografe Brenda Maddox vroeg zich in de lunchtime close-readinggroep af of de rivaliserende tweeling Shem en Shaun wellicht in de baarmoeder van Anna Livia incest met elkaar hadden bedreven. Tenslotte was er natuurlijk de onvermijdelijke en spreekwoordelijke mafketel in strijdbare camouflagekleding en met een sigaret achter het oor die bij elke lezing en op elk congres zijn zegje komt doen en hier een van de spreeksters vroeg: Is uw belangstelling voor sadomasochisme alleen maar academisch?



Erik Bindervoet

Robbert-Jan Henkes





Abonnement



De nieuwsbrief van het Centrum voor de wetenschappelijke studie van het werk van James Joyce verschijnt twee maal per jaar.



Als u de Gnantwerp Gazette ook tijdens het volgende werkjaar wil blijven ontvangen kan U zich abonneren door 180,- BEF/10,- NLG over te schrijven op rekening nr.:

001-0998555-16 voor België

Postbank 3353816 voor Nederland

op naam van Geert Lernout

met vermelding van 040 L GER 1833 en uw naam

en deze strook ingevuld terug te sturen naar het:



James Joyce Centrum

UIA-GER

Universiteitsplein 1

B2610 Wilrijk (Antwerpen)

België

of per fax: 32-3-820.27.62

of e-mail: lernout@uia.ua.ac.be.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

AbonnementNieuwsbrief James Joyce Centrum Antwerpen



NAAM: ..................................................................................................................................



VOORNAAM: ........................................................................................................................



ADRES: .................................................................................................................................



TELEFOON: ..........................................................................................................................



FAX: ......................................................................................................................................



E-MAIL:.................................................................................................................................